Categorie archief: Filosofie

Loslaten

De meest veelzijdige van alle uitspraken is ‘loslaten!’ Er zijn twee manieren waarop deze uitspraak wordt gebruikt.

De eerste uitleg is simpel en letterlijk: niet langer vasthouden dan nodig. Wat het dan ook is dat je vasthoudt.

ape-holding-onto-motherIn het verlengde daarvan moet ik denken aan hoe ik ooit in een natuurfilm zag hoe jonge mensapen zich, na hun geboorte, onmiddellijk vastklampen aan hun moeder. Bij ons, verre neven van die apen, lijkt dit niet meer voor te komen maar toch kun je aan baby’s merken dat het niet ècht verdwenen is. Let maar eens op de vastheid en opmerkelijke kracht van hun greep, en de neiging om vuistjes te maken. Iets vastpakken is dan ook iets dat we van nature in ons hebben en daarmee ook, in overdrachtelijke zin, het altijd ergens grip op willen hebben.

In de ogen van velen is vechtkunst een doelgerichte vaardigheid. Doelgericht, want we worden aangevallen en willen onszelf verdedigen. Dat alleen is al een doel. Tijdens de verdedigende handelingen zien we mogelijkheden hoe we kunnen blokkeren, ontsnappen of waar we de ander kunnen treffen. Ook dat zijn doelen die we onszelf stellen. We willen winnen, niet verliezen. Alweer een doel. focusAl deze doelen zijn in feite ideeën; we worden omgegooid omdat we het idee van staan hadden, dat idee is verstoord geraakt en vervolgens blijven we onszelf -ondanks het omvallen- vastklampen aan dat idee van staan. Zodoende streven we naar overeind blijven, en in die zin is het vasthouden aan een idee dus in principe een goed iets: niemand wil omvallen.
Maar dat is precies wat er gebeurt, juist omdat we vast blijven houden aan het idee van staan.

In vechtkunst geldt dat wanneer ik de handeling ‘slaan’ uitvoer, dan is dat niet in het wilde weg maar naar een bepaald doel: de buik bijvoorbeeld, of het gezicht. Er zit dus een idee achter de handeling, de handeling -het slaan- zelf heeft een bepaalde intentie en ook intentie is een idee. In veel andere scholen word je erop getraind om ‘doelgericht’ te blijven, om vast te houden aan de ideeën die je hebt ingezet ‘want alleen op die manier bereik je succes’. Onzin: het is juist dé manier om je ondergang tegemoet te gaan. Want wanneer ik mis blijf ik net iets te lang op mijn aanvankelijke doel gericht omdat ik niet alleen mijn arm, maar ook mijn idee moet herroepen. Daardoor ben ik niet op tijd om te reageren op de reactie van de tegenstander omdat ik nog vasthoud aan mijn idee.
En waar het de grotere lijnen van het gevecht -en misschien zelfs wel van ‘het leven’- betreft betekent het dat ik, wanneer ik vastzit in mijn doelgerichtheid, in mijn idee, ik blind ben voor de alternatieve mogelijkheden. Simpelweg omdat ik ze niet wil zien.

‘Loslaten’ betekent dan ook zoveel meer dan alleen maar ‘niet vasthouden’; het betekent ook dat je niet probeert te forceren wat je wil hebben maar wat (in ieder geval op dat moment) buiten bereik ligt, en dat je juist dat doet wat jou wordt aangeboden en voor de voeten komt.
Loslaten gaat dan ook over het bewandelen -over het toestaan- van de makkelijke weg. En dat is heel moeilijk.

Voor de tweede manier om ‘loslaten’ te begrijpen moeten we wat filosofischer te werk gaan. Daar wil ik je in meenemen aan de hand van twee voorbeelden.

Het eerste voorbeeld is de tijd.

Wij mensen hebben een tijdsbesef. De zon gaat op, de zon gaat onder, en aan de hand daarvan bepalen we onze afspraken. In de kern is dat een natuurlijk proces: sommige prooien vang je ’s nachts, andere in de vroege ochtend, enzovoorts. Als je er niet op de juiste tijd bent vang je niks en krijg je honger. Later werd dat voor een deel verlegd naar het juiste zaai- of oogstmoment in het jaar, maar het idee bleef hetzelfde.

klokEchter, ergens in de geschiedenis zijn we die tijd gaan ‘vangen’, we zijn haar gaan benoemen. We hebben klokjes gemaakt met streepjes erop, die streepjesindeling zijn we ‘de tijd’ gaan noemen en vervolgens hebben we de èchte tijd naast ons neergelegd. Waar we zouden moeten slapen als het donker is en actief zijn tijdens het daglicht zijn we regeltjes gaan maken die ons opleggen dat we tussen die en die streepjes moeten werken, van zus-tot-zo laat moeten slapen, enzovoorts. We zijn machines gaan maken die volgens die regeltjes werken en die machines -of ‘machinerieën’ waar het maatschappelijke of werkprocessen betreft- zijn afhankelijk van onze bediening, dus wij dwingen onszelf weer binnen die machineregeltjes. We hebben de tijd geconstateerd, daar een matrix overheen gelegd die vaker niet dan wel overeenstemt met het origineel en vervolgens zijn we volgens die kunstmatige, zelfverzonnen matrix gaan leven. We hebben de natuur volledig naast ons neergelegd en verzwakken onze gevoeligheid en onze natuurlijke energie door buiten het ritme van de wereld rondom ons te leven.

Een tweede voorbeeld is de natuur en hoe wij ermee omgaan.

vervuilingWij hebben een bepaald gevoel van belangrijkheid, ja zelfs van arrogantie; we noemen onszelf zelfs ‘de kroon van de schepping’. Maar die zogenaamde belangrijkheid heeft gemaakt dat wij alles om ons heen kapot denken te mogen maken. Eén van de gevolgen daarvan is een verandering in ons leefmilieu, in wat wij ‘de natuur’ noemen. De vervuiling die wij toevoegen aan de natuurlijke uitstootprocessen heeft versnellende negatieve invloed op dat leefmilieu.

Inmiddels zijn we zover dat we waarnemen dat de seizoenen veranderen, en we zeggen zelfs “de natuur is van slag”. Maar dat is onzin, de natuur is helemaal niet van slag: ze fluctueert, ze gaat mee met de input (onder andere de door ons geproduceerde vervuiling) die ze krijgt, en ze verandert in een tempo dat hooguit zo langzaam gaat dat wij het niet als natuurlijke golfbeweging herkennen omdat we te kort leven en waarnemen. Maar ergens was er ooit een idioot die het in zijn hoofd haalde om zaken te benoemen: van dan tot dan is het winter en dan hoort er sneeuw te vallen, van dan tot dan is het zomer en dan moet het lekker warm zijn. Nu komt onze aarde in een ander deel van haar golfbeweging (al of niet door ons ‘geholpen’) en in plaats van dat wij ons nu aanpassen aan hoe de natuur zich gedraagt willen wij haar dwingen om binnen onze gefantaseerde winter-en-zomer-regeltjes te blijven.

Deze twee voorbeelden illustreren een filosofisch soort ‘loslaten’. Wij hebben eerst een matrix gemaakt die kunstmatig is (ons idee van de tijd of van het ritme van de natuur) en vervolgens gaan we ons naar die matrix gedragen in plaats van naar de ware aard áchter die matrix: de echte tijd of de ware natuur.

Vechtkunst gaat over het hanteren van dergelijke kunstmatige matrixen. We houden ons niet bezig met hoe een beweging feitelijk verloopt, hoe de golfbeweging die de interactie tussen ons en de ander is heen en weer pulseert. We zien alleen maar de ‘ik ben goed en hij is slecht’-emotie, we voelen alleen maar de angst of woede (of beide) en worden blind voor het feitelijke verloop van de interactie. We hebben regeltjes gemaakt in de zin van wel of niet sportief zijn en het vechten volledig onttrokken aan wat vechten eigenlijk is. Het is niet voor niks dat de Daodejing begint met “道可道非常道” – dao ke dao fei chang dao: ‘de weg die in woorden gevat kan worden is niet de bestendige weg’. Woorden zijn een kunstmatige matrix die de mens oplegt aan haar omgeving, om vervolgens aan dat kunstmatige vast te houden en de ware aard van diezelfde omgeving te vergeten.

‘Loslaten’ gaat dan ook over ‘ophouden te willen begrijpen’, te ‘be-grijpen’; laat het idee van willen winnen of niet willen verliezen los, laat je angsten en woede los, laat je ideeën over hoe te handelen los; en kijk -nee: voel– de interactie.

Let go of the matrix.

Advertenties

De misleiding van het aangeleerde

Toen ik aan mijn vechtkunsttraining begon was ik een jaar of twaalf, dertien. Uiteraard wilde ik weten hoe ik me moest verdedigen tegen dit en wat ik kon doen tegen dat, en ik leerde een veelheid aan technieken.

tan_zolder

Die in het midden op de achterste rij, dat ben ik toen ik zestien was. Op de voorgrond meneer Tan (links op de afbeelding).

Na een korte tijd rond te hebben geshopt in Karate, Taekwondo (oude stijl) en Pençak Silat kwam ik terecht bij meneer Tan. Daar leerde ik niet ‘tegen dit doe je dat’, maar ik kreeg een beweging te leren die ik eerst naar tevredenheid moest kunnen uitvoeren, en daarna kwam er een korte uitleg over wat je moet die beweging ‘deed’ inclusief een bijbehorende partneroefening.

Op zich is dat natuurlijk niet zo’n vreemde onderwijsstructuur, sterker nog: ongemerkt zit die in alle krijgskunsten en vechtsporten. Neem bijvoorbeeld boksen: je leert een beweging waarbij je gezegd wordt dat dat een stoot is, en vervolgens ga je die oefenen. Bij Karate idem dito: dit is een stoot, dat is een trap, zus en zo’n beweging is een wering. Same difference.

Het punt is natuurlijk dat je als beginner niks wéét, en er moet ergens begonnen worden. Dus gebruikt de lesstructuur -die een stijlschool in feite ís- bij wijze van ingang die handelingen die je sowieso al kent en begrijpt; allen worden ze nu op een stijlspecifieke manier gevormd en aangeleerd.

tit_khun_5_elementsDit is wat ik later ben gaan benoemen als ‘het niveau van de tienduizend dingen’: tegen dit doe je dat, dit is schoppen, dit is slaan. En zo voort.

Ik vond Chinese stijlen leuk om te oefenen maar ik vond ze, op het begripsniveau dat ik toen had, wel inefficiënt: waarom zoveel aandacht aan het correct uitvoeren van de vormgeving van een bepaalde stap? Waarom niet meteen oefenen in de betekenis van die stap?

De Tit Khun-stijl die ik leerde had vijf ‘stapvormen’, elk gerelateerd aan een bepaalde richting. En zoals ik hierboven al vertelde kreeg ik elke stapvorm nauwgezet uitgelegd wat je met die beweging deed. En daar begon mijn pad van zelfmisleiding.

Meneer Tan probeerde mij in al zijn wijsheid van dat pad weg te houden. Zijn methode bestond uit verhaaltjes en anekdotes (zie HIER).
Nu wat het de tijd van Bruce Lee, en een beroemde uitspraak van Bruce Lee was ‘absorb what is useful’. Wij, leerlingen, zaten daardoor op een keer te praten over technieken van andere stijlen die Tit Khun niet had en vroegen op een gegeven moment aan meneer Tan of hij misschien ooit technieken had overgenomen uit andere stijlen. Zijn antwoord was, alweer, een verhaaltje: “Als je een techniek ziet bij een andere stijl die je erg goed vindt, dan moet je die overnemen natuurlijk! Zelf doe ik dat altijd zo: eerst kijk ik naar hoe ik me met Tit Khun tegen die techniek moet verdedigen. Als dat niet zo moeilijk blijkt te zijn als het aanvankelijk leek heb ik geen reden meer om die techniek mooi te vinden natuurlijk; maar als ik me er moeilijk tegen denk te kunnen verdedigen beschouw ik het als een mooie techniek.
Vóórdat ik ‘m nu overneem vraag ik me eerst af of Tit Khun misschien een beweging heeft die heel wel voor die techniek gebruikt kan worden, maar ik heb daar gewoon nooit eerder bij stilgestaan. Kom ik zo’n beweging niet tegen, dan neem ik die techniek over. Maar blijkt Tit Khun een beweging al te hebben die de toepassing van die techniek toelaat dan hoeft dat niet, en heb ik mijn eigen stijl verdiept!
Uiteraard vroegen wij meteen welke technieken hij dan uiteindelijk had overgenomen. Meneer Tan glimlachte, ging achterover zitten en zei: “Geen“.

Het zou nog zeker dertig jaar duren voor ik daadwerkelijk begreep wat hij met deze uitleg wilde zeggen.

Dat lag niet aan hem, dat lag aan mij, de leerling. Tegenwoordig leer ik mijn eigen leerlingen dat ‘mijn’ kunst leren net zoiets is als het beklimmen van een ladder: je kunt net zo hoog stijgen als je treden kunt loslaten. Maar dat begreep ik zelf, in mijn eigen leertijd, heel lang niet.

Een voorbeeld: de stap/techniek die bij Tit Khun bekend staat als ‘pat kwa’. Als solo-stap ziet die er ongeveer zo uit:

patkwa1

En de toepassing die ik erbij geleerd kreeg was deze:

patkwa2.jpg

Een soort van ‘enkelbreek-techniek’ die aan de binnenkant/voorzijde van de tegenstander wordt gebruikt. Dit heb ik jarenlang zo geoefend, en later zelf ook onderwezen.
Later leerde ik bij meneer Tan de vormen (zeg maar: de ‘kata’) van Tit Khun, en daarin kwam die stap meerdere malen voor; maar dan wel op een manier waardoor die onmogelijk deze betekenis kon hebben. Dús werd het bijbehorende verhaal dat de toepassing afweek van de vormgeving in de vorm; hetzelfde flauwekulargument dat je tegenwoordig ook veel hoort in Tai Chi-kringen als het gaat over toepassingen van ‘de vorm’.

Nee, hartstikke fóut: de toepassing is juist exact zoals je die aanleert! Je moet alleen de aangeleerde basistoepassing, die je al zoveel jaren geoefend hebt, eerst loslaten om te kunnen inzien dat niet de vorm, maar de toepassing van die vorm anders is. Het duurde bij mij (maar ik ben een trage leerling) ruim dertig jaar voor ik überhaupt op dat idee kwam…

Mijn punt is eigenlijk: je leert eerst ‘de tienduizend dingen’: tegen dit doe je dat. Maar een goede stijlschool voert je verder dan dat: je leert vormgevingen van hóe je je handeling moet uitvoeren om vervolgens die specifieke handeling los te kunnen laten en de vormgeving voor zichzelf te laten spreken. Wat kun je er nog meer mee? Zo wordt je opleiding steeds conceptueler tot je uiteindelijk uitkomt op de basisconcepten; in het typisch traditioneel-Chinese vocabulaire ga je van ‘de tienduizend dingen’ naar ‘de vijf elementen’, en vandaar groei je weer door naar ‘yin en yang’ om uiteindelijk uit te komen bij de Dao. Van tienduizend details naar, uiteindelijk, één centraal concept.

Een stijl leert je dus feitelijk geen technieken of technisch handelen; integendeel. In werkelijkheid is een stijl -na het aanleren van materiaal om mee te werken- een soort van raadsel dat de leerling krijgt toegeworpen. Natuurlijk kun je blijven hangen in de basisuitleg van wat je doet met een bepaalde beweging, en ja: daar kun je heel goed mee worden. Maar that’s not the point: het aangeleerde is niet meer dan een inleiding en motivatie voor de beginnende leerling om die specifieke beweging überhaupt te willen oefenen. Maar om verder te kunnen te groeien in de concepten die de stijl achter de schermen probeert te onderwijzen is het zaak om die eerste uitleg -uiteraard na voldoende beheersing- ook weer te kunnen loslaten. Je leert geen beperkingen, je wordt geschoold in vrijheid.

Nawoord: ik kwam op het idee voor dit artikeltje door een filmpje dat ik ergens op Facebook (klik HIER) tegenkwam. Het is een reclamefilmpje van een paar Karateleraren die ‘alternatieve toepassingen’ van de handelingen uit een kata demonstreren, om zo te laten zien dat de ‘schoppen-en-slaan’-stijl die (in hun ogen blijkbaar) Karate ‘is’ ook anders gebruikt kan worden. Hebben ze iets nieuws ontdekt? Nee, niet iets nieuws. Hebben ze iets ‘ont-dekt’: ja, ze hebben de schil van datgene wat hen was aangeleerd (Karatebewegingen gaan over schoppen, slaan en blokken) van zich af kunnen werpen. Een stijl is geen leerschool in beperkingen (‘deze ene beweging doet het ene dát’), het is een opeenstapeling van raadsels (‘wat kun je allemaal met deze ene beweging?’ ‘Wat is het ene achterliggende, alomvattende concept ervan?’) om je de weg naar vrijheid te wijzen.

Laat je trede los en beklim je ladder.

There’s one to rule them all

Wij worden beheersd en gecontroleerd door vier ‘spoken’. De eerste heet Denken, de tweede Emoties, de derde heet Voelen en de vierde is Lichaam.

Het eerste spook

Denken maakt dat we overrationaliseren. We zijn vergeten dat het slechts een gereedschap dient te zijn, en in de huidige maatschappij wordt teveel getheoretiseerd en te weinig empirisch gehandeld. Zelfs onze wetenschap, die moderne religie, gaat uit van het bewijzen van een theorie in plaats van kijken naar wat er gebeurt. Stel dat de Aarde een tik krijgt en daardoor een uur sneller gaat draaien per dag, dan is de wetenschap in staat om te zeggen dat de Aarde verkeerd draait want op het machientje dat ‘horloge’ heet valt de meting ineens anders uit: een theorie -tijdsmeting- is tot een waarheid gemaakt die boven de feitelijke waarheid uitstijgt.

Vroeger, toen ik een ventje van een jaar of vijftien, zestien was nam meneer Tan, mijn Tit Khun-leraar, me een keer apart. Ik was gefrustreerd aan het raken door de -in mijn ogen- geringe vooruitgang die ik boekte in mijn oefening en dat was hem blijkbaar opgevallen. “Je denkt teveel” adviseerde hij, maar merkte tegelijkertijd dat ik daar niet zoveel mee kon. Dus begon hij opnieuw, ditmaal vanuit een andere invalshoek. 

Nu was in die tijd Discovery Channel net nieuw op de tv (zo lang is dit alweer geleden) en nog voornamelijk gevuld met natuurfilms, iets wat ook tijdens de training regelmatig ter sprake kwam. Wij, leerlingen, waren erg onder de indruk van de macht, pracht en kracht van de dieren die getoond werden, en hadden het er vaak over. 

“Weet jij”, vroeg meneer Tan, “hoe een tijger zijn prooi vangt?” Dat wist ik wel, en ik vertelde hoe een tijger zijn klauwen om zijn prooi sloeg en vervolgens de coup de grace uitdeelde met zijn tanden. Want dat had ik op tv gezien. “Hoe kan hij dat dan?” Vroeg meneer Tan, semi-onnozel. Ik antwoordde dat de klauwen van een tijger net waren als die van een kat, met nagels die er uit konden schieten als hij ze nodig had.

“Oh” zei meneer Tan, en hij frunnikte nadenkend aan zijn kin. “En als die tijger gewoon over de rotsen loopt, wat doet hij dán met die nagels?”

“Dan trekt hij ze in”.

“Precies!” Meneer Tan priemde triomfantelijk met zijn wijsvinger naar mijn neus. “Jij bent net als een tijger die rondloopt met voortdurend zijn nagels uit. Als een tijger dat te vaak doet slijten die nagels en kan hij zijn eten niet meer vangen”. Hij legde uit: “Denken is net zoiets: je moet het gebruiken als je het nodig hebt. Wanneer je het níet nodig hebt, laat het dan voor wat het is, maak het niet te belangrijk. Het is maar een gereedschap”.

Het zou zeker twintig jaar duren voor ik doorhad wat hij bedoelde maar het was, en is nog steeds, een wijze les: je bent je denken niet, het is maar een gereedschap. Laat het de boel niet overstemmen

Het tweede spook

Ergens ver in het verleden, misschien al sinds de tijd van Abélard en Héloïse, zijn wij begonnen met het idealiseren van emoties. Het is zelfs tot hoogste cultuur verheven om Emotie het meest en het vaakst de baas te laten zijn over de drie andere spoken. Als je tv kijkt gaat het alleen maar over emotiegerelateerde zaken: je hoort er niet bij (emotie) als je niet dit of dat flauwekulprodukt koopt, oh kijk toch eens hoe die beroemdheid verliefd is (emotie) op die andere, stem op mij want als je op die ander stemt dan ben je geen oké persoon (emotie), kijk eens hoe zielig (emotie) de mensjes zijn in deze documentaire … Ik heb dus geen tv meer want het gaat werkelijk nergens over, er wordt alleen maar ingespeeld op Emotie. 

Als je ergens rationeel op reageert dan klopt er blijkbaar iets niet aan je: blijkbaar is zelfs het Denken-spook ondergeschikt gemaakt aan Emotie. Je moet en zult emotioneel zijn. En als je hoort zeggen “denk toch eens na, je weet toch dat je het anders moet doen?” Dan wordt er niet bedoeld dat je daadwerkelijk na moet gaan denken: nee, het is een inspelen op de emotie van een schouderklopje willen krijgen van de spreker. Meer niet. Onze wereld is stuk omdat wij emotie de baas hebben laten worden met lieden rondom ons die daar -of het de wereld nou schaadt of niet- handig gebruik van maken. Door te zèggen dat we na moeten denken (maar zonder dat te hard te menen).

Het derde spook

Als Emotie de keizer is met al zijn pracht en praal en zijn ‘als je niet doet of je me leuk vindt hak ik je hoofd af’ dan is Denken zijn eerste minister, en Voelen ‘het volk’: ondergewaardeerd door de elite, ge- danwel misbruikt wanneer en hoe het uitkomt. Dit voelen is geen ‘emotioneel voelen’, het is het soort voelen dat je pas gewaar kunt worden na jaren intensieve training: de interne training van Kungfu.

Voelen wordt ons niet aangeleerd vanuit onze cultuur, en al evenmin vanuit onze scholing. Mócht je zo gelukkig zijn dat je spontaan op deze vaardigheid stuit bij jezelf krijg je al snel de hele wereld over je heen: ‘je denkt niet na’ of ‘je bent niet gezellig’.

Interne training daarentegen gaat júist over dit voelen, dit waarnemen, dit alomtegenwoordig in je lichaam aanwezig zijn. Het gaat júist over niet nadenken en niet bezig hoeven zijn met wat anderen van je denken of willen.

Veel moderne mindfulness-achtige cursussen (raar woord trouwens… had dat niet mind-emptiness moeten zijn?) die zich baseren op oude tradities halen als doel ‘gelukkig zijn’ uit die oude tradities. Laat je niet gek maken: zolang Emotie de baas is zul je nóóit gelukkig zijn want er is altijd wel iemand die meer heeft, mooier heeft, jou niet aardig genoeg vindt enzovoorts. De tradities waar uit geput wordt waren helemaal niet bezig met verzadigd zijn of met emotionele voldoening, ze waren bezig met voelen. Met bewustzijn, bewust zijn

Het vierde spook 

Het lichaam is in feite het paard van of voor de drie andere spoken. Bij ongetrainde mensen zie je hoe Emotie op het paard zit met Denken er vlak voor lopend, met de hand aan de teugel. De één is de toegang tot de ander: je praat er rationeel tegen en krijgt een emotioneel antwoord; je geeft uitleg aan de leerling hoe hij/zij iets beter kan doen en je krijgt een uitgebreid antwoord waarin de leerling zichzelf verdedigt alsof je een persoonlijke aanval hebt gepleegd.

Bij uitermate goed geoefende mensen zit juist Voelen in het zadel. Deze mensen worden niet verstoord door emotioneel gekrakeel of door te ver of diep over iets nadenken. Als Voelen in het zadel zit hoeft het paard niet te rennen omdat de berijder van het moment -Emotie of Denken- de ander voor wil blijven. Het hoeft niet naar links of naar rechts omdat iemand anders dat wil, het paard mag gewoon paard zijn.

Zo had ik -jaren geleden alweer- een gesprek met een Kungfu-meester. Hij had geen leerlingen, wilde die ook niet, maar wilde mij wel wat helpen met de vragen waar ik mee zat op het gebied van mijn interne training: ik wilde graag beter worden (‘willen’ is Emotie) in mijn interne oefening, en had al van alles gelezen aan oude teksten (‘studie’ is Denken). Eén van de zaken die ik tegenkwam was de kwestie van het celibaat: voor het behoud van je energie zou je je moeten onthouden van seks. Hij keek mij geschokt aan: hoe ik aan die onzin kwam? Dat was iets van religie, niet van interne training! Gewoon normaal doen was goed genoeg vond hij (en aan zijn interne kwaliteit viel in ieder geval niet te twijfelen). Het paard moet grazen maar nooit meer eten dan hij op kan, en niet grazen omdat Denken vindt dat het nu etenstijd is en dat een portie zus en zo groot moet zijn, of grazen omdat dat voor Emotie zo goed oogt voor de vrienden waar hij bij wil horen. Een paard eet omdat het honger heeft, rent omdat het ergens naartoe of juist vandaan moet en rust als er niks is om te moeten. Hetzelfde gold volgens hem voor seks.

In feite leerde hij mij de kern van het Daoisme: eten als je honger hebt, slapen als je moe bent. Voelen wie je bent.

De Ghostbuster

“Maar hoe doe je dat dan?” is een veelgehoorde vraag. Eigenlijk is het antwoord hierop heel simpel, en bestaat het uit twee stappen. Eén: je moet het daadwerkelijk willen. ‘Willen’ is een makkelijk gebruikt woord en zwaar in waarde gedevalueerd; hoe vaak hoor ik niet van iemand dat hij/zij echt Tai Chi wil leren, om dan, als ik een keer daarna vraag of er thuis een uurtje per dag is geoefend, aangekeken te worden alsof ik gek ben… Het woord ‘willen’ wordt erg goedkoop gebruikt. 

Mijn moeder zei altijd ‘niet kunnen is niet willen’ en oh jee wat had ik daar een berg bezwaren tegen, hoe durfde ze dat zeggen! Maar inmiddels weet ik dat ze gelijk heeft: wat onmogelijk is dat kan gewoon niet maar daarbuiten zijn zelfs onbereikbare dingen bereikbaar, zolang je maar bereid bent om de prijs ervoor te betalen. Prins Gautama wilde verlichting en verliet daar zijn gezin en harem en zijn prins-zijn voor om later de Boeddha te worden. Wil je iets zó graag? Of toch een beetje minder? Hoeveel minder dan?

Dit is het ‘willen’ waar ik het over heb. Als je door nauwgezet je interne training te doen je qi goed hebt opgebouwd en je jezelf bekwaamd hebt in wat ‘voelen’ is, dan wordt je wil sterk. En het is die wil die maakt dat Emotie -de keizer- van het paard wordt gesodemieterd en dat de macht daar komt waar die thuishoort. Bij Voelen.