Categorie archief: Daoïsme

De misleiding van het aangeleerde

Toen ik aan mijn vechtkunsttraining begon was ik een jaar of twaalf, dertien. Uiteraard wilde ik weten hoe ik me moest verdedigen tegen dit en wat ik kon doen tegen dat, en ik leerde een veelheid aan technieken.

tan_zolder

Die in het midden op de achterste rij, dat ben ik toen ik zestien was. Op de voorgrond meneer Tan (links op de afbeelding).

Na een korte tijd rond te hebben geshopt in Karate, Taekwondo (oude stijl) en Pençak Silat kwam ik terecht bij meneer Tan. Daar leerde ik niet ‘tegen dit doe je dat’, maar ik kreeg een beweging te leren die ik eerst naar tevredenheid moest kunnen uitvoeren, en daarna kwam er een korte uitleg over wat je moet die beweging ‘deed’ inclusief een bijbehorende partneroefening.

Op zich is dat natuurlijk niet zo’n vreemde onderwijsstructuur, sterker nog: ongemerkt zit die in alle krijgskunsten en vechtsporten. Neem bijvoorbeeld boksen: je leert een beweging waarbij je gezegd wordt dat dat een stoot is, en vervolgens ga je die oefenen. Bij Karate idem dito: dit is een stoot, dat is een trap, zus en zo’n beweging is een wering. Same difference.

Het punt is natuurlijk dat je als beginner niks wéét, en er moet ergens begonnen worden. Dus gebruikt de lesstructuur -die een stijlschool in feite ís- bij wijze van ingang die handelingen die je sowieso al kent en begrijpt; allen worden ze nu op een stijlspecifieke manier gevormd en aangeleerd.

tit_khun_5_elementsDit is wat ik later ben gaan benoemen als ‘het niveau van de tienduizend dingen’: tegen dit doe je dat, dit is schoppen, dit is slaan. En zo voort.

Ik vond Chinese stijlen leuk om te oefenen maar ik vond ze, op het begripsniveau dat ik toen had, wel inefficiënt: waarom zoveel aandacht aan het correct uitvoeren van de vormgeving van een bepaalde stap? Waarom niet meteen oefenen in de betekenis van die stap?

De Tit Khun-stijl die ik leerde had vijf ‘stapvormen’, elk gerelateerd aan een bepaalde richting. En zoals ik hierboven al vertelde kreeg ik elke stapvorm nauwgezet uitgelegd wat je met die beweging deed. En daar begon mijn pad van zelfmisleiding.

Meneer Tan probeerde mij in al zijn wijsheid van dat pad weg te houden. Zijn methode bestond uit verhaaltjes en anekdotes (zie HIER).
Nu wat het de tijd van Bruce Lee, en een beroemde uitspraak van Bruce Lee was ‘absorb what is useful’. Wij, leerlingen, zaten daardoor op een keer te praten over technieken van andere stijlen die Tit Khun niet had en vroegen op een gegeven moment aan meneer Tan of hij misschien ooit technieken had overgenomen uit andere stijlen. Zijn antwoord was, alweer, een verhaaltje: “Als je een techniek ziet bij een andere stijl die je erg goed vindt, dan moet je die overnemen natuurlijk! Zelf doe ik dat altijd zo: eerst kijk ik naar hoe ik me met Tit Khun tegen die techniek moet verdedigen. Als dat niet zo moeilijk blijkt te zijn als het aanvankelijk leek heb ik geen reden meer om die techniek mooi te vinden natuurlijk; maar als ik me er moeilijk tegen denk te kunnen verdedigen beschouw ik het als een mooie techniek.
Vóórdat ik ‘m nu overneem vraag ik me eerst af of Tit Khun misschien een beweging heeft die heel wel voor die techniek gebruikt kan worden, maar ik heb daar gewoon nooit eerder bij stilgestaan. Kom ik zo’n beweging niet tegen, dan neem ik die techniek over. Maar blijkt Tit Khun een beweging al te hebben die de toepassing van die techniek toelaat dan hoeft dat niet, en heb ik mijn eigen stijl verdiept!
Uiteraard vroegen wij meteen welke technieken hij dan uiteindelijk had overgenomen. Meneer Tan glimlachte, ging achterover zitten en zei: “Geen“.

Het zou nog zeker dertig jaar duren voor ik daadwerkelijk begreep wat hij met deze uitleg wilde zeggen.

Dat lag niet aan hem, dat lag aan mij, de leerling. Tegenwoordig leer ik mijn eigen leerlingen dat ‘mijn’ kunst leren net zoiets is als het beklimmen van een ladder: je kunt net zo hoog stijgen als je treden kunt loslaten. Maar dat begreep ik zelf, in mijn eigen leertijd, heel lang niet.

Een voorbeeld: de stap/techniek die bij Tit Khun bekend staat als ‘pat kwa’. Als solo-stap ziet die er ongeveer zo uit:

patkwa1

En de toepassing die ik erbij geleerd kreeg was deze:

patkwa2.jpg

Een soort van ‘enkelbreek-techniek’ die aan de binnenkant/voorzijde van de tegenstander wordt gebruikt. Dit heb ik jarenlang zo geoefend, en later zelf ook onderwezen.
Later leerde ik bij meneer Tan de vormen (zeg maar: de ‘kata’) van Tit Khun, en daarin kwam die stap meerdere malen voor; maar dan wel op een manier waardoor die onmogelijk deze betekenis kon hebben. Dús werd het bijbehorende verhaal dat de toepassing afweek van de vormgeving in de vorm; hetzelfde flauwekulargument dat je tegenwoordig ook veel hoort in Tai Chi-kringen als het gaat over toepassingen van ‘de vorm’.

Nee, hartstikke fóut: de toepassing is juist exact zoals je die aanleert! Je moet alleen de aangeleerde basistoepassing, die je al zoveel jaren geoefend hebt, eerst loslaten om te kunnen inzien dat niet de vorm, maar de toepassing van die vorm anders is. Het duurde bij mij (maar ik ben een trage leerling) ruim dertig jaar voor ik überhaupt op dat idee kwam…

Mijn punt is eigenlijk: je leert eerst ‘de tienduizend dingen’: tegen dit doe je dat. Maar een goede stijlschool voert je verder dan dat: je leert vormgevingen van hóe je je handeling moet uitvoeren om vervolgens die specifieke handeling los te kunnen laten en de vormgeving voor zichzelf te laten spreken. Wat kun je er nog meer mee? Zo wordt je opleiding steeds conceptueler tot je uiteindelijk uitkomt op de basisconcepten; in het typisch traditioneel-Chinese vocabulaire ga je van ‘de tienduizend dingen’ naar ‘de vijf elementen’, en vandaar groei je weer door naar ‘yin en yang’ om uiteindelijk uit te komen bij de Dao. Van tienduizend details naar, uiteindelijk, één centraal concept.

Een stijl leert je dus feitelijk geen technieken of technisch handelen; integendeel. In werkelijkheid is een stijl -na het aanleren van materiaal om mee te werken- een soort van raadsel dat de leerling krijgt toegeworpen. Natuurlijk kun je blijven hangen in de basisuitleg van wat je doet met een bepaalde beweging, en ja: daar kun je heel goed mee worden. Maar that’s not the point: het aangeleerde is niet meer dan een inleiding en motivatie voor de beginnende leerling om die specifieke beweging überhaupt te willen oefenen. Maar om verder te kunnen te groeien in de concepten die de stijl achter de schermen probeert te onderwijzen is het zaak om die eerste uitleg -uiteraard na voldoende beheersing- ook weer te kunnen loslaten. Je leert geen beperkingen, je wordt geschoold in vrijheid.

Nawoord: ik kwam op het idee voor dit artikeltje door een filmpje dat ik ergens op Facebook (klik HIER) tegenkwam. Het is een reclamefilmpje van een paar Karateleraren die ‘alternatieve toepassingen’ van de handelingen uit een kata demonstreren, om zo te laten zien dat de ‘schoppen-en-slaan’-stijl die (in hun ogen blijkbaar) Karate ‘is’ ook anders gebruikt kan worden. Hebben ze iets nieuws ontdekt? Nee, niet iets nieuws. Hebben ze iets ‘ont-dekt’: ja, ze hebben de schil van datgene wat hen was aangeleerd (Karatebewegingen gaan over schoppen, slaan en blokken) van zich af kunnen werpen. Een stijl is geen leerschool in beperkingen (‘deze ene beweging doet het ene dát’), het is een opeenstapeling van raadsels (‘wat kun je allemaal met deze ene beweging?’ ‘Wat is het ene achterliggende, alomvattende concept ervan?’) om je de weg naar vrijheid te wijzen.

Laat je trede los en beklim je ladder.

Advertenties

Over Daoïsme

Wat is Daoïsme?
In de School van de Kraanvogel is één van de belangrijkste qigong-oefenvormen Wudang Qigong Shibafa, ‘Achttien Methodes Wudang Qigong’, kortweg Wudang Qigong. De band tussen Wudang Qigong en het Daoïsme noodzaakt ons om ons te verdiepen in het Daoïsme, en er zijn twee manieren om dat te doen.
De eerste manier bestaat daaruit dat we de Dao, de Weg, zichzelf laten onthullen. De meesten van ons zullen kennis over het Daoïsme echter tegenkomen via de tweede weg, die inhoudt dat anderen ons erover vertellen. In dat geval nemen we feitelijk niet zozeer kennis van het Daoïsme maar eerder van de visie, en het begripsniveau, van het individu dat zijn persoonlijke perceptie van de Dao met ons deelt.
Dit leidt ons naar drie niveaus waarop het Daoïsme begrepen kan worden.
Op het eerste niveau baseren we ons begrip volledig op de geschriften van bijvoorbeeld reizigers die het Daoïsme aan den lijve menen te hebben ondervonden. Als we hun beschrijvingen lezen zou je het idee kunnen krijgen dat het Daoïsme een soort van bijgeloof is vol tempeltjes en met honderden, zo niet duizenden meer en minder belangrijke goden, godheidjes en geesten, en met alchemisten, talismannen en velerlei magische wegen om te trachten heden en toekomst te beïnvloeden.
Het tweede niveau kunnen we verwerven door werken te lezen zoals bijvoorbeeld Kristofer Schipper’s ‘Tao: de levende religie van China’. We zouden dan al te gemakkelijk, maar onterecht, gaan geloven dat het Daoïsme een gecompliceerde maar goed georganiseerde religie is -met haar eigen cosmologie en vol van velerlei soorten rituelen- die wordt uitgeoefend via een kerkachtige organisatie.
Om de verwarring te vergroten is er nog een derde, meer mystiek, niveau om het Daoïsme te begrijpen en wat we beschreven vinden in werken zoals de daodejing en de zhuangzi: het Daoïsme van de ‘eeuwige Weg die niet in woorden beschreven kan worden’, en ‘de Dao kan niet worden uitgedrukt in woorden want als je dat doet is het de Dao niet meer’.
Het Daoïsme heeft dus vele gezichten. In de ogen van sommigen is het een bijgeloof van mensen die goden en geesten smeken om welvaart en gezondheid, en die talismannen en magische incantaties gebruiken om hun lot te beïnvloeden. In de ogen van anderen is het een religie streep filosofie streep metafysisch begrip van, en inzicht in, de Weg, de Dao.
Nu luidt de eerste zin van de daodejing, het oudste en beroemdste boek over Daoïsme dat 2500 jaar geleden werd geschreven door Laozi: “de Dao die kan worden benoemd is niet de eeuwige Dao”.
Graag wil ik je op basis van deze openingszin een gedachte meegeven over hoe het Daoïsme werkt, en wat deze zin feitelijk betekent.
We nemen water als voorbeeld.
Water heeft drie duidelijk identificeerbare en fysiek van elkaar te onderscheiden ‘staten van zijn’: ijs, water, en stoom. Eén van de karakteristieken van de substantie ‘water’ is dat het ijs zal blijven tot de temperatuur stijgt tot nul graden Celcius; daar wordt het vloeibaar water. En zoals we allemaal weten verandert water onmiddellijk in stoom bij honderd graden Celcius. Deze drie aspecten van water zijn duidelijk door ons vast te stellen, we kunnen ze onderscheiden, het zijn feitelijke ‘dingen’, feitelijke materie die we in onze handen kunnen nemen (doe dit alsjeblieft niet met de stoom), we kunnen ze zogezegd naast elkaar op tafel leggen; ze zijn solide, ze ‘bestaan’.
Echter, er is geen enkele staat van water mogelijk zonder temperatuur; dus blijkbaar is temperatuur één van de vele aspecten van water hoewel wij, in ons ‘wetenschappelijke’ maar blind-met-één-oog-onderwijs, enkel onderwijs krijgen over de H2O-moleculen en dergelijke, de ‘vaste’ dingen. Ons wordt nooit onderwezen om temperatuur als een valide en onafscheidelijk aspect van water te zien.
Desalniettemin is het dit temperatuur-aspect dat maakt dat water kan veranderen van de ene in de andere staat (overigens: samen met de factoren ‘druk’ en ‘tijd’, maar ik wil het niet moeilijker maken dan het al is). En een karakteristiek van temperatuur is dat die altijd geleidelijk kan en moet veranderen.
Hier hebben we dus een zichtbare en een onzichtbare perceptie van water: in de zichtbare, fysieke en uiterlijke visie is water gebonden aan natuurwetten waardoor het relatief abrupt wijzigt van de ene staat in de andere: er is geen geleidelijke overgang van ijs naar water, we hebben het ene moment ijs en het andere moment vloeibaar water; we hebben het ene moment vloeibaar water en plotseling hebben we stoom.
Aan de andere kant is er het onzichtbare, ongrijpbare en niet-fysieke begrip van water, het aspect dat we onderscheiden als ‘temperatuur’. En zodra we water vanuit deze invalshoek bezien bestaan er alleen máár geleidelijke overgangen. Temperatuur stijgt van min naar plus op een constante en geleidelijke wijze; dat kan sneller of langzamer geschieden, maar de verandering verloopt altijd gladjes. Er zijn geen plotselinge veranderingen in temperatuur, het is nooit het ene moment nul en het andere moment plotseling honderd graden: er zit altijd een -sneller of trager verlopend- geleidelijk verlopend groeiproces van honderd graden temperatuurstijging tussen.
Dit staat dus in scherp contrast tot de fysieke manifestatie van temperatuur -in dit geval dus water- die gebonden is aan specifieke natuurwetten, en die bepalen dat de vaste materie niet op geleidelijke wijze kan transformeren: er is of ijs of water, nooit iets er tussenin.
Hoe relateert deze watervergelijking nu aan het Daoïsme?
Daarvoor moeten we even terugkeren  naar die eerste zin uit de daodejing: “de Dao die kan worden benoemd is niet de eeuwige Dao”. Blijkbaar waren er dus mensen die claimden dat de Dao wèl benoemd kan worden; maar vervolgens spraken ze over water in de vorm van ijs, in de vorm van vloeibaar water of in de vorm van stoom; ze spraken over water als één van deze drie grijpbare, objectiveerbare en duidelijk van elkaar te onderscheiden kwaliteiten.
Maar nee, zegt de daodejing, dat is niet de eeuwige Dao. Door enkel te kijken naar de grijpbare staten van water zie je de temperatuur haar werk niet doen, je mist de kracht die de verandering veroorzaakt en mogelijk maakt. Je mist hoe water niet iets vasts is in drie verschillende vormen, dat het in werkelijkheid voortdurend van de ene in de andere zijnsvorm verandert op een geleidelijke manier. Je mist het zien van de beweging van water doorheen de tijd, je mist het zien van de tijd zelf. Je mist het eeuwige en bent blind voor het feit dat het vaste altijd wijzigt door toedoen van de geleidelijke aspecten die aan onze aandacht ontsnappen.
Dit is een uitleg van de Dao in woorden; het kan dus niet de juiste zijn. Onderzoek zelf.
Getagged ,