Maandelijks archief: september 2016

Het verschil tussen Tai Chi en Qigong

Soms zit je zolang in een ‘discipline’ dat je vergeten bent hoe het was toen je zelf net begon. Mijn leerlingen maken het mij daar ook niet gemakkelijk in: zij zelf oefenen inmiddels alweer vele jaren bij mij, zijn ver gevorderd, en geven zelf les aan relatieve beginners; terwijl ikzelf me alleen nog bezighoud met hen.

Maar toen ik zelf nog maar net doorvloeide van de zachte stijl Kungfu die ik geleerd had naar Tai Chi begon mijn leertijd niet met de bewegingen van Tai Chi maar met Qigong. Ik had geen flauw idee waarom dat was – of wát dat was.

De kern van het verhaal is, zo weet ik inmiddels na al deze jaren dat ik ‘in het veld’ zit, dat Tai Chi een krijgskunst is. En ik gebruik met opzet het antieke woord ‘krijgskunst’: Tai Chi is inmiddels ongeveer vierhonderd jaar oud en stamt uit een tijd van zwaarden en speren. Daarmee zit je in de situatie van een slagveld uit vroegere tijden en zoals dat gaat op slagvelden: er ontstaat een soort van wapenwedloop. De persoon of personen die Tai Chi ontwierpen wilden iets extra’s, iets waardoor mensen die andere krijgskunsten beoefenden en die aan ‘de andere kant’ stonden verslagen konden worden. De meerwaarde die men zocht werd gevonden in de vele stromingen van gezondheidskunsten die China van oudsher kent.

Die gezondheidskunsten zijn heel divers, zowel qua manier van oefenen als qua doelstelling. meridianenEr zijn stromingen die inderdaad puur voor de dagelijkse gezondheid bedoeld zijn, er zijn er die gelieerd zijn aan de antieke alchemistische onsterfelijkheidskunst en er zijn spiritueel-meditatieve stromingen. Niets daarvan heeft met krijgskunst te maken maar ze hebben allemaal één ding met elkaar gemeen: ze baseren zich op een mensbeeld dat niet uitgaat van spieren, botten enzovoorts (al kende men de menselijke anatomie al pakweg tweeduizend jaar voor die hier in het westen werd ‘ontdekt’ tot in detail); in plaats daarvan ging men uit van qi, ‘energie’, die in banen door het lichaam zou stromen, de zogeheten meridianen.

Hoe kon men vinden dat dit een meerwaarde zou hebben voor krijgskunsten?

Voor het antwoord op die vraag kunnen we prima kijken naar de Olympische Spelen die onlangs in Brazilië zijn gehouden, en waar we topatleten in verschillende disciplines aan het werk hebben kunnen zien. Die atleten hebben, naast hun onmenselijk zware training, met elkaar gemeen dat ze allemáál ontzettend goed zijn en dus met de vraag zitten hoe ze toch weer net iets beter kunnen worden. Ze laten zich daarom onderplakken met patches en worden vervolgens gefilmd, en dankzij die patches kan een computer hun bewegingen registreren en uitrekenen hoe ze net weer iets efficiënter kunnen hoogspringen, hardlopen, zwemmen of verspringen.

computer

Die middelen had men in vroegere tijden niet, maar men had wèl die gezondheidsoefeningen die de beoefenaar oefenden in qi, ‘energie’.

Een noodzaak bij de vrije doorstroming van qi door het lichaam is fysieke ontspanning. Daarmee bedoel ik niet dat je net zo slap moet zijn als natte spaghetti maar dat je jezelf bewust maakt van onnodige voelbaarheden in je lichaam, ‘spanning’ zo je wilt. Hoe langer je oefent hoe sensitiever je wordt, zowel in als op je lichaam; en daarmee hebben we al twee aspecten te pakken die de toevoeging van deze oefeningen aan een krijgskunst zinvol maakten: je leert je eigen lichaam in een optimale positie plaatsen vanuit je gevoel (waardoor je bijvoorbeeld harder kunt slaan, ik noem maar wat), èn je leert om ‘op je lichaam’ het contact met de tegenstander te beïnvloeden.

Al met al verklaart dit de waarde van de toevoeging van gezondheidsoefeningen aan de krijgskunst Tai Chi.

Waar deze diverse gezondheidsoefeningen evolueerden en samenkwamen in wat we tegenwoordig Qigong noemen, groeide ook Tai Chi door de tijd heen. Toen er vuurwapens kwamen was een krijgskunst niet meer zinvol op het slagveld, en Tai Chi werd -we zitten nu in de negentiende eeuw- een individuele zelfverdedigingskunst. En in de vorige -twintigste- eeuw is dan weer de invloed van die gezondheidskunsten op de verdedigingskunst naar de voorgrond getreden, en heette Tai Chi ineens een gezondheidskunst te zijn, een soort van bewegende yoga.

Niet is dus minder waar: Qigong is een meditatieve gezondheidskunst en als zodanig geïncorporeerd in de verdedigingskunst Tai Chi. Hoewel de bewegingen op elkaar lijken door de invloed over en weer en hoewel ook Tai Chi ‘solo’ geoefend wordt in vormen, choreografieën, zijn er dus wel degelijk verschillen.

Een voorbeeld van een Tai Chi-choreografie, gevolgd door tien Qigong-oefeningen

Naar mijn idee moeten die verschillen ook blijven, en duidelijk naast elkaar geoefend worden. Nee, je hoeft niet geïnteresseerd te zijn in ‘vechten’ als je Tai Chi oefent; maar het (eventueel in spelvorm) oefenen in de Tai Chi-manier van zelfverdediging dóet iets met een mens, het verandert je. Door de invloed van de gezondheidskunsten en het daoïstische ‘go with the flow‘-denken dat daarmee gepaard gaat word je niet alleen gezonder (want fysieke oefening maakt nu eenmaal gezond), ook mentaal gebeurt er iets; je leert anders omgaan met weerstand, met confrontaties, je laat die makkelijker van je afglijden of weet ze zelfs om te buigen in een situatie die beter, gezonder, voor je is.

Samengevat kunnen we dus stellen dat Qigong een gezondheidsoefening is, redelijk meditatief en rustgevend maar ook bedoeld om aan te sterken, om te herstellen, om sensitiever te worden en om meer weerstand op te bouwen tegen ziekte. Tai Chi daarentegen is van oorsprong een krijgskunst, een zelfverdedigingskunst, een fysieke manier om anders -zachter- om te gaan met confrontaties. Al of niet overdrachtelijk.

 

Advertenties