de namen van de vorm

De lerarenopleiding ‘Tai Chi’ van mijn School van de Kraanvogel gaat niet alleen over praktische vaardigheden, immers, je moet straks als leraar je leerlingen ook iets te vertellen hebben. Niet alleen ‘dit moet zus en dat moet zo’, maar ook waaróm iets zus of zo moet. Wat doe je waarom, waar komt die informatie vandaan, enzovoorts. Je moet verhalen rondom de handelingen weten te vertellen, soms omdat dat nuttige informatie is en soms gewoon, omdat je ook een entertainende functie hebt.

Vandaar dat de lerarenopleiding qua theorie neigt naar academisch niveau, en dat begint met kennis van, maar zeker ook óver, de namen. Hieronder een kort stukje uit de eerste les van aankomende woensdag.

De namen van Tai Chi – het eerste deel van de vorm

Qi shi

Vaak wordt deze bewegingshouding vertaald als ‘beginhouding’; dat is niet verkeerd maar zeker niet helemaal correct. De oorzaak daarvan ligt in onze associatie met het woord ‘houding’: dat suggereert een statisch iets, een standbeeld bijvoorbeeld ‘staat in een houding’. Maar het Chinese woord ‘shi’ impliceert heel iets anders: een ‘shi’ is de vorm waarin bijvoorbeeld een groepje specialisten, zoals speervechters, zich in de slaglinie opstelt tijdens een veldslag: ze bewegen zich in die vormgeving die, wanneer de omstandigheden dat vereisen, zich onmiddellijk kan wijzigen in een ándere vormgeving of opstelling.

Ook in de woordenboeken kom je niets tegen dat op ‘positie’ of ‘houding’ duidt. De gegeven betekenis omvat: Kracht, invloed; een tendens; natuurlijke kwaliteiten (vb. de natuurlijke kwaliteiten van een berg); situatie, omstandigheid; een teken/signaal (van: ‘een teken/signaal geven’) de mannelijke geslachtsdelen[1].

Roger T. Ames geeft, in zijn boek ‘Sun-tzu – The Art Of Warfare’, in de inleiding de volgende ‘cluster of meanings’: Aspect, situatie, omstandigheden; aanleg, configuratie, uiterlijke vorm; kracht, invloed, momentum, autoriteit; strategisch voordeel, aankoop.

Daarbij merkt hij terecht op dat wij niet moeten vertalen door één van deze betekenissen te selecteren maar door te begrijpen hoe ‘shi’ al die betekenissen tegelijk omvat[2]. Dat doet Ames door ‘shi’ uit te leggen als ‘die samenstelling van voorwaarden die onze situatie definieert’[3].

Het eerste deel van de term, ‘qi’, betekent inderdaad zoveel als ‘beginnen’ maar tegelijkertijd ook zoveel als ‘omhoog komen, opstaan, in opstand komen’[4].

Deze twee woorden bij elkaar genomen betekenen dus veel méér dan ‘beginhouding’: om te beginnen gaat het dus niet om iets statisch maar om een handeling, een proces. Een proces waarvan? Niet alleen ‘het begin’, het is een proces van activering, van opwekken, alert zijn, klaar om in actie te komen.

Dit lijkt misschien muggenzifterij maar het is een heel belangrijk nuanceverschil: een ‘beginhouding’ is op zijn best de vormgeving waarmee je een serie bewegingen begint; echter, Tai Chi is een krijgskunst, en je opent je vormuitvoering dus niet met alleen maar een houding of vormgeving maar door een totale, mentale, staat van aanwezigheid op te wekken. ‘Qi shi’ is dus niet ‘de naam van een houding’ maar al meteen een les in wat je hoe moet doen: de voorwaarde scheppen -fysiek maar zeker ook mentaal- van waaruit het vervolg kan plaatsvinden.

Een extra kanttekening hierbij is dat ‘fysiek’ niet alleen verwijst naar de vormgeving en positionering van het lichaam, maar tevens naar het activeren van de innerlijke processen die middels Qigong zijn ontwikkeld. In één van de Tai Chi-Klassieken beschrijft Wu Yuxiang: “Gebruik de geest om qi te bewegen. Geleid qi rustig omlaag, dan kan deze diep in de botten doordringen. Beweeg het lichaam met behulp van qi; laat het vloeiend bewegen, dan volgt het de geest met gemak”[5]. Deze omschrijving geeft exact weer wat ‘qi shi’ is en doet.

Lan que wei

‘Lan que wei’ wordt doorgaans vertaald als ‘grijp de mus bij de staart’, een rechtstreeks gevolg van de Chinese schrijfwijze. Daar zijn een aantal dingen over te zeggen.

Om te beginnen: in de ‘oude stijl’ -in feite de Chen-stijl- heet de voorganger waar deze handeling haar vormgeving aan heeft ontleend ‘lan zha yi’. Dit betekent, volgens de algemeen gangbare Chinese schrijfwijze, ‘op je gemak je gewaad instoppen’; het zou verwijzen naar de lange gewaden die men droeg en die in de weg zouden zitten tijdens het vechten, reden waarom je -voor het gevecht begint- eerst het onderste deel van dat gewaad in je gordel stopt zodat je er niet op kunt gaan staan. Echter, het woordje ‘lan’ kan ook ‘omvattend vasthouden’ betekenen (‘zoals Roodkapje haar mandje in de arm draagt’); ‘zha’ betekent ‘vastpinnen’ en ‘yi’, anders geschreven dan het woord voor ‘gewaad’, betekent dan ‘hij daar’. Het is dus een functieomschrijving die je uitlegt hoe je de ander ‘omvat’ en ‘vastpint’.

Van ‘lan zha yi’ naar ‘lan que wei’ lijkt een grote stap, zeker als je naar het Westerse alfabet kijkt. Echter, in het Chinees, en zeker als het niet ‘op zijn hogeschools wordt uitgesproken’, kunnen deze twee namen bijna hetzelfde klinken. Zo zien we dat Gu Liuxing, een beroemd Tai Chi-historicus en -meester, zelfs nog in de jaren tachtig van de vorige eeuw de naam ‘lan que wei’ helemaal niet gebruikt maar in plaats daarvan de oudere term ‘lan zha yi’ hanteert[6].

NB Overigens hanteert Gu meer paralellen met de ‘oude stijl’: net als in de Chen-stijl laat Gu de naam ‘qi shi’ doorlopen tot en met de eerste ‘lan que wei’-handeling.

Wat de betekenis van de naam betreft staat er in de Tai Chi-Klassieken geschreven: “Peng, lü, ji en an worden geboren uit lan que wei”[7]. ‘Lan que wei’ -in de betekenis van ‘grijp de mus bij de staart’- refereert aan iets wat ‘elke Chinees kent’, namelijk het beeld van de gepensioneerde man in het park die daar zit te schaken terwijl hij zijn vogeltje in een kooitje heeft meegenomen. Dat vogeltje laat hij eruit (het vliegt uit zichzelf wel weer terug) en laat hij op zijn hand landen. Vervolgens toont de man zijn vrienden hoe bedreven hij is in het vogeltje aan zijn hand laten ‘kleven’: een vogel heeft lift nodig onder zijn vleugels om op te kunnen stijgen maar door op het juiste moment de hand omhoog of omlaag te brengen kan het dier geen afzet genereren om die lift te krijgen. De op en neer-gaande beweging van de hand lijkt op het op en neer gaan van de armen in ‘lan que wei’, en vandaar deze dichterlijke naamgeving. Daarnaast kunnen we in het Chinees ‘lan que wei’ een tikkeltje anders schrijven. ‘Lan’ betekent dan ‘omvatten’, ‘que’ is zoiets als een sterke bevestiging of uitroepteken en ‘wei’ betekent nu ‘omsingelen’: je omvat en omsingelt de tegenstander. Zo is de naam ‘lan que wei’ tevens een functieomschrijving, een instructie zo men wil.

Dan bian

‘Dan bian’ wordt doorgaans in het Chinees geschreven met de karaktertekens die zoveel betekenen als ‘enkele zweep’. De motivatie daarvoor wordt vaak uitgelegd aan de hand van de beweging, die vanuit de rechtervoet naar de linkerhand zou golven ‘als een zweep’.

Echter, de meester T.Y. Pang geeft, als alternatieve schrijfwijze, ‘verandering van het cinnaber’, wat hij zelf ‘vertaalt’ als ‘verandering van energie’. Daarmee verwijst Pang naar het feit dat, gedurende deze beweging, de energie in de onderbuik verandert. ‘Cinnaber’ is een term uit de interne alchemie die verwijst naar het dantian (‘cinnaber-veld’).

Door ‘dan bian’ met wéér andere Chinese karaktertekens te schrijven wordt het een uitleg van de functie: ‘strijken met de flank’.

Ti shou

‘Ti shou’ betekent ‘til de handen op’ en is een voorbeeld van een technische term (zie pagina 5). Technische namen hebben een betekenis die twee kanten op gaat: enerzijds wordt er beschreven wat je zelf doet, anderzijds geeft de naam weer wat de ander daardoor ondergaat.

Bai he liang chi

‘Bai he liang chi’ –‘de witte kraanvogel verkoelt haar vleugels’- is een voorbeeld van een dichterlijke naam (zie pagina 5), en gaat al heel ver terug in de geschiedenis; de naam komt dan ook in diverse stijlen -niet alleen ‘interne’- voor. Het wordt in alle gevallen gebruikt als omschrijving van een beweging waarbij beide armen worden gespreid. Het woordje ‘liang’ is hierin een sleutelwoord. Dit woord wordt namelijk ook gebruikt in de Chinese opera -het vroegere equivalent van de hedendaagse actiefilms- en staat voor de houding die de held aanneemt nadat hij op het podium is gekomen en zich aan het publiek presenteert: die ‘liang’-houding ziet er bijna precies hetzelfde uit als de ‘bai he liang chi’-positie in Chen- en Yang-stijl Tai Chi.

NB Dichterlijke namen geven geen uitleg over de functie.

Lou xi ao bu

De naam van deze stap, ‘lou xi ao bu’, valt onder de categorie technische namen en wordt vaak vertaald als ‘strijk langs de knie met een draaistap’. Dit is slechts ten dele correct. Het derde karakterteken dat wordt weergegeven als ‘ao’ kan namelijk op twee manieren worden uitgesproken, en is daardoor twee verschillende woorden: ‘ao’ (in de vierde toon) betekent zoveel als ‘draaien’, maar je kunt het karakterteken ook uitspreken als ‘yao’ (in de derde toon). ‘Yao’ betekent ‘trekken, sleuren, afbreken, plukken (als bij een bloem)’.

NB Voor het gemak blijf ik hier ‘ao’ schrijven maar duidelijk moge zijn dat ik daarmee zowel ‘ao’ als ‘yao’ bedoel!

Zoals altijd in zulke gevallen is het niet een kwestie van kiezen tussen -in dit geval- ‘ao’ en ‘yao’ maar moet de vertaling tegelijkertijd beide betekenissen beschrijven. Zo leren we aan de hand van deze naam dat de handeling een draaiend-afbrekende, ‘knappende’ functie heeft en niets te maken heeft met een ‘draaistap’.

Het misverstand komt voort uit hoe de term in zijn totaal gelezen wordt: ‘lou xi ao bu’ wordt vrijwel automatisch opgedeeld in ‘lou xi’ (in de populaire vertaling: ‘strijken langs de knie’) en ‘ao bu’ (‘draaistap’); echter, in feite moet de opdeling als volgt: ‘lou xi ao’ en ‘bu’ (‘bu’ betekent ‘stap’). Het is dus een ‘lou xi ao’-stap, wat dan weer een duidelijkere uitleg geeft over de functie.

Het ‘lou xi’-gedeelte van de naam wordt doorgaans vertaald als ‘strijken langs de knie’, maar dat is erg vreemd en onjuist: het woordje ‘langs’ stáát namelijk nergens. Wat er wel staat is ‘knie strijken’; dat kan wel ‘langs de knie’ betekenen, maar voor hetzelfde geld is het te lezen als ‘van de knie’ of ‘met de knie’. Verder kent het Chinees geen enkel- of meervoud, dus het kan net zo goed vertaald worden als ‘knieën strijken’. Het is die laatste uitleg die recht doet aan de functie: met de eigen knie wordt de knie van de ander geblokkeerd terwijl, tegelijkertijd, aan de bovenkant ons lichaam ietwat wringt waardoor het lichaam van de ander wordt ‘gedraaid en gebroken’. Ook hier weer geeft de technische naam dus tegelijkertijd duiding over wat we zelf doen èn over wat de ander ondergaat[8].

Shou hui pipa

‘Shou hui pipa’ is een voorbeeld van een mengvorm van dichterlijke en technische namen, en betekent ‘handen spelen de (Chinese) luit’. Een Chinese luit lijkt een beetje op een gitaar maar wordt verticaal vastgehouden, en de beweging lijkt daardoor op het langs de snaren strijken van dit instrument.

In de Tai Chi-Klassieken schrijft de meester Yang Banhou dat ‘shou hui pipa’ een doorborende en neutraliserende ‘jing’ heeft[9]. Hoewel Chen Yanlin, de eerste auteur die uitgebreide informatie over de Yang-stijl Tai Chi ‘verraadt’ aan het publiek, beschrijft hoe ‘shou hui pipa’ een soort van armklem zou zijn[10] (ik vat zijn uitvoerige functieomschrijving even kort samen) is die uitleg meer bedoeld voor het grote publiek; doel van zo’n algemene beschrijving was niet zozeer een feitelijke technische uitleg, maar de lezer een idee geven zodat hij de beweging met intentie kon vullen. De technische uitleg moest daarbij wel moreel verantwoord blijven en we vinden in het werk van Chen dan ook nergens een beschrijving van functies die wreed of bloeddorstig zou kunnen overkomen.

Yang Banhou lost dit morele probleem anders op: door een ogenschijnlijk vage beschrijving te geven van de ‘energie’ is het aan de lezer zelf om de functie van de handeling in te vullen.

De stap kent, door het ‘strijkende’ effect, twee tegengestelde bewegingen. Het deel dat achterwaarts lijkt te gaan (maar in feite op de plaats blijft) ‘neutraliseert’ de inkomende kracht van de ander, terwijl het deel dat voorwaarts priemt ‘doorboort’: bij ‘shou hui pipa’ wordt de keel van de ander aangevallen en met de vingers doorboord.

Hier geeft het dichterlijke aspect van de naam tevens een technische uitleg: het schijnt zo te zijn (maar weten doe ik het niet) dat, doordat wanneer bij iemand de keel wordt doorgestoken met de vingers (zoals in deze ‘shou hui pipa’ gebeurt: vandaar de verwijzing naar ‘doorboren’-energie) en de windpijp bloot komt te liggen, door het ademen een geluid wordt voortgebracht dat ongeveer klinkt als ‘pie-paa’. Vandaar de naam.

Pi shen chui

‘Pi shen chui’ betekent ‘scheren langs het lichaam-slag’ en is een technische naam: ze geeft weer wat zowel mij als de ander overkomt. De ander komt naar voren met zijn aanval en ik ‘scheer’ daarlangs, terwijl de ander ook langs mij scheert.

Jin bu ban lan chui

Ook ‘jin bu ban lan chui’ valt in de groep van technische namen. Echter, de vertaling ‘voorwaarts stappen, pareren, weren en slaan’ doet geen recht aan wat er in het Chinees gezegd wordt. Dat heeft alles te maken met de term ‘jin bu’.

Het Chinees is een contextuele taal. Woorden hebben natuurlijk hun alledaagse betekenis, maar soms wordt zo’n alledaags woord gebruikt binnen het kader van een specifieke discipline. Het Chinese woord ‘zou’ bijvoorbeeld betekent gewoon ‘lopen’, maar wordt ook in Tai Chi gebruikt. Alleen is de betekenis dan een variatie op dat ‘lopen’, en daarom wordt in de Tai Chi-Klassieken ook éérst uitgelegd wat er binnen het Tai Chi-denken met ‘zou’ wordt bedoeld; dat doet men door uit te leggen ‘ren gang wo rou, wei zhi zou’: populair wordt dit zinnetje vertaald met ‘als de ander hard is en ik ben zacht dan is dat ‘meegaan’’, maar feitelijk wordt er uitgelegd dat als de ander hard is en ik ben zacht, dan beschrijven we dat met het woord voor ‘lopen’. Het is dus een uitleg over hoe een bepaald algemeen gangbaar woord wordt gebruikt als technische term.

Bij ‘jin bu’ is iets soortgelijks aan de hand. Letterlijk -in het algemene taalgebruik- betekent het inderdaad ‘voorwaartse stap’; echter, Tai Chi is een krijgskunst en daardoor moet de terminologie uitgelegd worden in een krijgs- (lees: militaire) context. Een voorbeeld van ‘jin bu’ in militaire context zien we in de film ‘Troy’ (2004): voor de eerste aanval van de Grieken stellen de Trojanen zich op voor hun stadsmuur, en wanneer de Griekse aanval begint drijven de Trojanen de Grieken terug de zee in. Dát is ‘jin bu’: in militaire zin ‘opdrijven’, ‘voorwaarts gaan terwijl je de druk er op houdt’.

‘Jin bu ban lan chui’ is onlosmakelijk verbonden aan, en een onmiddellijk vervolg op, de voorgaande handeling ‘pi shen chui’, en daardoor valt in sommige Tai Chi-stromingen de naamgeving van ‘pi shen chui’ (maar daardoor ook de functie-uitleg) weg[11].

Ru feng si bi

‘Ru feng si bi’ wordt populair ‘vertaald’ als ‘schijnbare sluiting’. Hoewel de naam op verfraaide wijze vertelt wat er gebeurt en daardoor wat dichterlijk lijkt is het een technische term, omdat hij tegelijkertijd omschrijft wat jij doet èn wat de ander ondergaat.

Wat er letterlijk staat is ‘zoals je ‘feng’, zo doe je ‘bi’’, of, ietwat korter maar minder letterlijk: ‘’bi’ op de manier van ‘feng’’.

Zowel ‘feng’ als ‘bi’ kunnen wij in het Nederlands nauwelijks anders vertalen als ‘dichtdoen’ of ‘sluiten’, maar de twee woorden duiden in het Chinees op verschillende manieren van sluiten. Bij ‘feng’ kun je denken aan hoe iemand uit het raam van een oud huis hangt en dan de luiken sluit door beide armen kruislings naar elkaar toe te bewegen; echter, ‘feng’ wordt binnen de krijgskunsten gebruikt als term voor ‘afhouden’ of ‘afschermen’, zoals een bokser zijn beide armen naar elkaar toe brengt om de slagen van de ander daarop op te vangen en zo de aanval af te houden. Al met al geeft ‘feng’ dus in één woord zowel een visuele uitleg (‘alsof je de ramen sluit’) als een praktische (‘houd de ander op afstand’).

Bij ‘bi’ gaat het meer om iets dichtknijpen en afsluiten, zoals je een waterslang dichtknijpt waardoor het water niet meer verder kan; ‘knijpend sluiten’ is een lelijke, maar meer correcte weergave. ‘Bi’ is een vakterm uit qinna (de kunst van breek- en klemtechnieken), dianxue (het manipuleren van acupunctuurpunten voor gevechtsdoeleinden) en uit de traditionele Chinese medicijnenleer (waar het ‘stagnatie’ betekent, ook een vorm van ‘gesloten zijn’) en moet hier dan ook op die manier worden begrepen[12].

De volledige naam leert ons dat je -volgens de uitleg van Yang Banhou[13]– de ander afhoudt ‘op de manier hoe je de luiken sluit’ (lees: met gekruiste armen) en hoe je hem opsluit in zijn centrum waarbij je, omgekeerd bezien, de armen van de ander kruist en je eigen centrum beschermt.

Shizi shou

‘Shizi shou’ is een dichterlijke naam die geen enkele uitleg geeft over de functie (die in feite een ‘feng’, een ‘afhouden’, is) maar die de visuele vorm beschrijft: ‘shizi’ betekent ‘het karakterteken ‘tien’’ en ‘shou’ betekent ‘handen’- je houdt je handen in de vorm van het karakterteken voor het getal tien. Dit schrijf je als een kruis 十 en vandaar de naam.

[1] (Liang, 1995), p. 171.

[2] (Ames, 1993), p. 71-82.

[3] (Ames, 1993), p. 81.

[4] (Liang, 1995), p. 1461.

[5] Voor de originele tekst zie (Yang, 2001), p.1. Vertaling van de originele tekst van mijzelf; in de vertaling van Yang zitten serieuze fouten.

[6] (Gu, 1982), p. 109.

[7] (Wu, 1975), p. 5.

[8] (Jansen, 2011), p. 79-83.

[9] (Wu, 1975), p. 5; vertaald in (Jansen, 2011), p. 112.

[10] (Chen, 1943), p. 88; vertaald in (Jansen, 2011), p. 148-149.

[11] Zie bijvoorbeeld (Yang Z. , 1991), p. 64.

[12] (Jansen, 2011), p. 85-87.

[13] (Wu, 1975), p.5; vertaald in (Jansen, 2011), p.125-126.

Verwijzingen

Ames, R. T. (1993). Sun-tzu – The Art Of Warfare. New York: Ballantine Books.

Gu, L. (1982). Taijiquan Shu. Shanghai: Shanghai Jiaoyu Chubanshe.

Jansen, R. (2011). De 108-vorm Yang-stijl Tai Chi – over teksten en toepassingen. Den Haag: de School van de Kraanvogel.

Liang, S.-C. (1995). Far East Chinese-English Dictionary. Taiwan: Far East Book Co.

Pang, T. (1987). On Tai Chi Chuan. Washington: Azalea Press.

Wile, D. (1983). T’ai-chi Touchstones – Yang Family Secret Transmissions. New York: Sweet Ch’i Press.

Wu, M. (1975). taijiquan jiu jue zhu xie. Hong Kong: Taiping Ju Chuban.

Yang, J.-M. (2001). Tai Chi Secrets of the Wu & Li Styles. Boston: YMAA Publication Center.

Advertenties

Loslaten

De meest veelzijdige van alle uitspraken is ‘loslaten!’ Er zijn twee manieren waarop deze uitspraak wordt gebruikt.

De eerste uitleg is simpel en letterlijk: niet langer vasthouden dan nodig. Wat het dan ook is dat je vasthoudt.

ape-holding-onto-motherIn het verlengde daarvan moet ik denken aan hoe ik ooit in een natuurfilm zag hoe jonge mensapen zich, na hun geboorte, onmiddellijk vastklampen aan hun moeder. Bij ons, verre neven van die apen, lijkt dit niet meer voor te komen maar toch kun je aan baby’s merken dat het niet ècht verdwenen is. Let maar eens op de vastheid en opmerkelijke kracht van hun greep, en de neiging om vuistjes te maken. Iets vastpakken is dan ook iets dat we van nature in ons hebben en daarmee ook, in overdrachtelijke zin, het altijd ergens grip op willen hebben.

In de ogen van velen is vechtkunst een doelgerichte vaardigheid. Doelgericht, want we worden aangevallen en willen onszelf verdedigen. Dat alleen is al een doel. Tijdens de verdedigende handelingen zien we mogelijkheden hoe we kunnen blokkeren, ontsnappen of waar we de ander kunnen treffen. Ook dat zijn doelen die we onszelf stellen. We willen winnen, niet verliezen. Alweer een doel. focusAl deze doelen zijn in feite ideeën; we worden omgegooid omdat we het idee van staan hadden, dat idee is verstoord geraakt en vervolgens blijven we onszelf -ondanks het omvallen- vastklampen aan dat idee van staan. Zodoende streven we naar overeind blijven, en in die zin is het vasthouden aan een idee dus in principe een goed iets: niemand wil omvallen.
Maar dat is precies wat er gebeurt, juist omdat we vast blijven houden aan het idee van staan.

In vechtkunst geldt dat wanneer ik de handeling ‘slaan’ uitvoer, dan is dat niet in het wilde weg maar naar een bepaald doel: de buik bijvoorbeeld, of het gezicht. Er zit dus een idee achter de handeling, de handeling -het slaan- zelf heeft een bepaalde intentie en ook intentie is een idee. In veel andere scholen word je erop getraind om ‘doelgericht’ te blijven, om vast te houden aan de ideeën die je hebt ingezet ‘want alleen op die manier bereik je succes’. Onzin: het is juist dé manier om je ondergang tegemoet te gaan. Want wanneer ik mis blijf ik net iets te lang op mijn aanvankelijke doel gericht omdat ik niet alleen mijn arm, maar ook mijn idee moet herroepen. Daardoor ben ik niet op tijd om te reageren op de reactie van de tegenstander omdat ik nog vasthoud aan mijn idee.
En waar het de grotere lijnen van het gevecht -en misschien zelfs wel van ‘het leven’- betreft betekent het dat ik, wanneer ik vastzit in mijn doelgerichtheid, in mijn idee, ik blind ben voor de alternatieve mogelijkheden. Simpelweg omdat ik ze niet wil zien.

‘Loslaten’ betekent dan ook zoveel meer dan alleen maar ‘niet vasthouden’; het betekent ook dat je niet probeert te forceren wat je wil hebben maar wat (in ieder geval op dat moment) buiten bereik ligt, en dat je juist dat doet wat jou wordt aangeboden en voor de voeten komt.
Loslaten gaat dan ook over het bewandelen -over het toestaan- van de makkelijke weg. En dat is heel moeilijk.

Voor de tweede manier om ‘loslaten’ te begrijpen moeten we wat filosofischer te werk gaan. Daar wil ik je in meenemen aan de hand van twee voorbeelden.

Het eerste voorbeeld is de tijd.

Wij mensen hebben een tijdsbesef. De zon gaat op, de zon gaat onder, en aan de hand daarvan bepalen we onze afspraken. In de kern is dat een natuurlijk proces: sommige prooien vang je ’s nachts, andere in de vroege ochtend, enzovoorts. Als je er niet op de juiste tijd bent vang je niks en krijg je honger. Later werd dat voor een deel verlegd naar het juiste zaai- of oogstmoment in het jaar, maar het idee bleef hetzelfde.

klokEchter, ergens in de geschiedenis zijn we die tijd gaan ‘vangen’, we zijn haar gaan benoemen. We hebben klokjes gemaakt met streepjes erop, die streepjesindeling zijn we ‘de tijd’ gaan noemen en vervolgens hebben we de èchte tijd naast ons neergelegd. Waar we zouden moeten slapen als het donker is en actief zijn tijdens het daglicht zijn we regeltjes gaan maken die ons opleggen dat we tussen die en die streepjes moeten werken, van zus-tot-zo laat moeten slapen, enzovoorts. We zijn machines gaan maken die volgens die regeltjes werken en die machines -of ‘machinerieën’ waar het maatschappelijke of werkprocessen betreft- zijn afhankelijk van onze bediening, dus wij dwingen onszelf weer binnen die machineregeltjes. We hebben de tijd geconstateerd, daar een matrix overheen gelegd die vaker niet dan wel overeenstemt met het origineel en vervolgens zijn we volgens die kunstmatige, zelfverzonnen matrix gaan leven. We hebben de natuur volledig naast ons neergelegd en verzwakken onze gevoeligheid en onze natuurlijke energie door buiten het ritme van de wereld rondom ons te leven.

Een tweede voorbeeld is de natuur en hoe wij ermee omgaan.

vervuilingWij hebben een bepaald gevoel van belangrijkheid, ja zelfs van arrogantie; we noemen onszelf zelfs ‘de kroon van de schepping’. Maar die zogenaamde belangrijkheid heeft gemaakt dat wij alles om ons heen kapot denken te mogen maken. Eén van de gevolgen daarvan is een verandering in ons leefmilieu, in wat wij ‘de natuur’ noemen. De vervuiling die wij toevoegen aan de natuurlijke uitstootprocessen heeft versnellende negatieve invloed op dat leefmilieu.

Inmiddels zijn we zover dat we waarnemen dat de seizoenen veranderen, en we zeggen zelfs “de natuur is van slag”. Maar dat is onzin, de natuur is helemaal niet van slag: ze fluctueert, ze gaat mee met de input (onder andere de door ons geproduceerde vervuiling) die ze krijgt, en ze verandert in een tempo dat hooguit zo langzaam gaat dat wij het niet als natuurlijke golfbeweging herkennen omdat we te kort leven en waarnemen. Maar ergens was er ooit een idioot die het in zijn hoofd haalde om zaken te benoemen: van dan tot dan is het winter en dan hoort er sneeuw te vallen, van dan tot dan is het zomer en dan moet het lekker warm zijn. Nu komt onze aarde in een ander deel van haar golfbeweging (al of niet door ons ‘geholpen’) en in plaats van dat wij ons nu aanpassen aan hoe de natuur zich gedraagt willen wij haar dwingen om binnen onze gefantaseerde winter-en-zomer-regeltjes te blijven.

Deze twee voorbeelden illustreren een filosofisch soort ‘loslaten’. Wij hebben eerst een matrix gemaakt die kunstmatig is (ons idee van de tijd of van het ritme van de natuur) en vervolgens gaan we ons naar die matrix gedragen in plaats van naar de ware aard áchter die matrix: de echte tijd of de ware natuur.

Vechtkunst gaat over het hanteren van dergelijke kunstmatige matrixen. We houden ons niet bezig met hoe een beweging feitelijk verloopt, hoe de golfbeweging die de interactie tussen ons en de ander is heen en weer pulseert. We zien alleen maar de ‘ik ben goed en hij is slecht’-emotie, we voelen alleen maar de angst of woede (of beide) en worden blind voor het feitelijke verloop van de interactie. We hebben regeltjes gemaakt in de zin van wel of niet sportief zijn en het vechten volledig onttrokken aan wat vechten eigenlijk is. Het is niet voor niks dat de Daodejing begint met “道可道非常道” – dao ke dao fei chang dao: ‘de weg die in woorden gevat kan worden is niet de bestendige weg’. Woorden zijn een kunstmatige matrix die de mens oplegt aan haar omgeving, om vervolgens aan dat kunstmatige vast te houden en de ware aard van diezelfde omgeving te vergeten.

‘Loslaten’ gaat dan ook over ‘ophouden te willen begrijpen’, te ‘be-grijpen’; laat het idee van willen winnen of niet willen verliezen los, laat je angsten en woede los, laat je ideeën over hoe te handelen los; en kijk -nee: voel– de interactie.

Let go of the matrix.

De misleiding van het aangeleerde

Toen ik aan mijn vechtkunsttraining begon was ik een jaar of twaalf, dertien. Uiteraard wilde ik weten hoe ik me moest verdedigen tegen dit en wat ik kon doen tegen dat, en ik leerde een veelheid aan technieken.

tan_zolder

Die in het midden op de achterste rij, dat ben ik toen ik zestien was. Op de voorgrond meneer Tan (links op de afbeelding).

Na een korte tijd rond te hebben geshopt in Karate, Taekwondo (oude stijl) en Pençak Silat kwam ik terecht bij meneer Tan. Daar leerde ik niet ‘tegen dit doe je dat’, maar ik kreeg een beweging te leren die ik eerst naar tevredenheid moest kunnen uitvoeren, en daarna kwam er een korte uitleg over wat je moet die beweging ‘deed’ inclusief een bijbehorende partneroefening.

Op zich is dat natuurlijk niet zo’n vreemde onderwijsstructuur, sterker nog: ongemerkt zit die in alle krijgskunsten en vechtsporten. Neem bijvoorbeeld boksen: je leert een beweging waarbij je gezegd wordt dat dat een stoot is, en vervolgens ga je die oefenen. Bij Karate idem dito: dit is een stoot, dat is een trap, zus en zo’n beweging is een wering. Same difference.

Het punt is natuurlijk dat je als beginner niks wéét, en er moet ergens begonnen worden. Dus gebruikt de lesstructuur -die een stijlschool in feite ís- bij wijze van ingang die handelingen die je sowieso al kent en begrijpt; allen worden ze nu op een stijlspecifieke manier gevormd en aangeleerd.

tit_khun_5_elementsDit is wat ik later ben gaan benoemen als ‘het niveau van de tienduizend dingen’: tegen dit doe je dat, dit is schoppen, dit is slaan. En zo voort.

Ik vond Chinese stijlen leuk om te oefenen maar ik vond ze, op het begripsniveau dat ik toen had, wel inefficiënt: waarom zoveel aandacht aan het correct uitvoeren van de vormgeving van een bepaalde stap? Waarom niet meteen oefenen in de betekenis van die stap?

De Tit Khun-stijl die ik leerde had vijf ‘stapvormen’, elk gerelateerd aan een bepaalde richting. En zoals ik hierboven al vertelde kreeg ik elke stapvorm nauwgezet uitgelegd wat je met die beweging deed. En daar begon mijn pad van zelfmisleiding.

Meneer Tan probeerde mij in al zijn wijsheid van dat pad weg te houden. Zijn methode bestond uit verhaaltjes en anekdotes (zie HIER).
Nu wat het de tijd van Bruce Lee, en een beroemde uitspraak van Bruce Lee was ‘absorb what is useful’. Wij, leerlingen, zaten daardoor op een keer te praten over technieken van andere stijlen die Tit Khun niet had en vroegen op een gegeven moment aan meneer Tan of hij misschien ooit technieken had overgenomen uit andere stijlen. Zijn antwoord was, alweer, een verhaaltje: “Als je een techniek ziet bij een andere stijl die je erg goed vindt, dan moet je die overnemen natuurlijk! Zelf doe ik dat altijd zo: eerst kijk ik naar hoe ik me met Tit Khun tegen die techniek moet verdedigen. Als dat niet zo moeilijk blijkt te zijn als het aanvankelijk leek heb ik geen reden meer om die techniek mooi te vinden natuurlijk; maar als ik me er moeilijk tegen denk te kunnen verdedigen beschouw ik het als een mooie techniek.
Vóórdat ik ‘m nu overneem vraag ik me eerst af of Tit Khun misschien een beweging heeft die heel wel voor die techniek gebruikt kan worden, maar ik heb daar gewoon nooit eerder bij stilgestaan. Kom ik zo’n beweging niet tegen, dan neem ik die techniek over. Maar blijkt Tit Khun een beweging al te hebben die de toepassing van die techniek toelaat dan hoeft dat niet, en heb ik mijn eigen stijl verdiept!
Uiteraard vroegen wij meteen welke technieken hij dan uiteindelijk had overgenomen. Meneer Tan glimlachte, ging achterover zitten en zei: “Geen“.

Het zou nog zeker dertig jaar duren voor ik daadwerkelijk begreep wat hij met deze uitleg wilde zeggen.

Dat lag niet aan hem, dat lag aan mij, de leerling. Tegenwoordig leer ik mijn eigen leerlingen dat ‘mijn’ kunst leren net zoiets is als het beklimmen van een ladder: je kunt net zo hoog stijgen als je treden kunt loslaten. Maar dat begreep ik zelf, in mijn eigen leertijd, heel lang niet.

Een voorbeeld: de stap/techniek die bij Tit Khun bekend staat als ‘pat kwa’. Als solo-stap ziet die er ongeveer zo uit:

patkwa1

En de toepassing die ik erbij geleerd kreeg was deze:

patkwa2.jpg

Een soort van ‘enkelbreek-techniek’ die aan de binnenkant/voorzijde van de tegenstander wordt gebruikt. Dit heb ik jarenlang zo geoefend, en later zelf ook onderwezen.
Later leerde ik bij meneer Tan de vormen (zeg maar: de ‘kata’) van Tit Khun, en daarin kwam die stap meerdere malen voor; maar dan wel op een manier waardoor die onmogelijk deze betekenis kon hebben. Dús werd het bijbehorende verhaal dat de toepassing afweek van de vormgeving in de vorm; hetzelfde flauwekulargument dat je tegenwoordig ook veel hoort in Tai Chi-kringen als het gaat over toepassingen van ‘de vorm’.

Nee, hartstikke fóut: de toepassing is juist exact zoals je die aanleert! Je moet alleen de aangeleerde basistoepassing, die je al zoveel jaren geoefend hebt, eerst loslaten om te kunnen inzien dat niet de vorm, maar de toepassing van die vorm anders is. Het duurde bij mij (maar ik ben een trage leerling) ruim dertig jaar voor ik überhaupt op dat idee kwam…

Mijn punt is eigenlijk: je leert eerst ‘de tienduizend dingen’: tegen dit doe je dat. Maar een goede stijlschool voert je verder dan dat: je leert vormgevingen van hóe je je handeling moet uitvoeren om vervolgens die specifieke handeling los te kunnen laten en de vormgeving voor zichzelf te laten spreken. Wat kun je er nog meer mee? Zo wordt je opleiding steeds conceptueler tot je uiteindelijk uitkomt op de basisconcepten; in het typisch traditioneel-Chinese vocabulaire ga je van ‘de tienduizend dingen’ naar ‘de vijf elementen’, en vandaar groei je weer door naar ‘yin en yang’ om uiteindelijk uit te komen bij de Dao. Van tienduizend details naar, uiteindelijk, één centraal concept.

Een stijl leert je dus feitelijk geen technieken of technisch handelen; integendeel. In werkelijkheid is een stijl -na het aanleren van materiaal om mee te werken- een soort van raadsel dat de leerling krijgt toegeworpen. Natuurlijk kun je blijven hangen in de basisuitleg van wat je doet met een bepaalde beweging, en ja: daar kun je heel goed mee worden. Maar that’s not the point: het aangeleerde is niet meer dan een inleiding en motivatie voor de beginnende leerling om die specifieke beweging überhaupt te willen oefenen. Maar om verder te kunnen te groeien in de concepten die de stijl achter de schermen probeert te onderwijzen is het zaak om die eerste uitleg -uiteraard na voldoende beheersing- ook weer te kunnen loslaten. Je leert geen beperkingen, je wordt geschoold in vrijheid.

Nawoord: ik kwam op het idee voor dit artikeltje door een filmpje dat ik ergens op Facebook (klik HIER) tegenkwam. Het is een reclamefilmpje van een paar Karateleraren die ‘alternatieve toepassingen’ van de handelingen uit een kata demonstreren, om zo te laten zien dat de ‘schoppen-en-slaan’-stijl die (in hun ogen blijkbaar) Karate ‘is’ ook anders gebruikt kan worden. Hebben ze iets nieuws ontdekt? Nee, niet iets nieuws. Hebben ze iets ‘ont-dekt’: ja, ze hebben de schil van datgene wat hen was aangeleerd (Karatebewegingen gaan over schoppen, slaan en blokken) van zich af kunnen werpen. Een stijl is geen leerschool in beperkingen (‘deze ene beweging doet het ene dát’), het is een opeenstapeling van raadsels (‘wat kun je allemaal met deze ene beweging?’ ‘Wat is het ene achterliggende, alomvattende concept ervan?’) om je de weg naar vrijheid te wijzen.

Laat je trede los en beklim je ladder.

Het verschil tussen Tai Chi en Qigong

Soms zit je zolang in een ‘discipline’ dat je vergeten bent hoe het was toen je zelf net begon. Mijn leerlingen maken het mij daar ook niet gemakkelijk in: zij zelf oefenen inmiddels alweer vele jaren bij mij, zijn ver gevorderd, en geven zelf les aan relatieve beginners; terwijl ikzelf me alleen nog bezighoud met hen.

Maar toen ik zelf nog maar net doorvloeide van de zachte stijl Kungfu die ik geleerd had naar Tai Chi begon mijn leertijd niet met de bewegingen van Tai Chi maar met Qigong. Ik had geen flauw idee waarom dat was – of wát dat was.

De kern van het verhaal is, zo weet ik inmiddels na al deze jaren dat ik ‘in het veld’ zit, dat Tai Chi een krijgskunst is. En ik gebruik met opzet het antieke woord ‘krijgskunst’: Tai Chi is inmiddels ongeveer vierhonderd jaar oud en stamt uit een tijd van zwaarden en speren. Daarmee zit je in de situatie van een slagveld uit vroegere tijden en zoals dat gaat op slagvelden: er ontstaat een soort van wapenwedloop. De persoon of personen die Tai Chi ontwierpen wilden iets extra’s, iets waardoor mensen die andere krijgskunsten beoefenden en die aan ‘de andere kant’ stonden verslagen konden worden. De meerwaarde die men zocht werd gevonden in de vele stromingen van gezondheidskunsten die China van oudsher kent.

Die gezondheidskunsten zijn heel divers, zowel qua manier van oefenen als qua doelstelling. meridianenEr zijn stromingen die inderdaad puur voor de dagelijkse gezondheid bedoeld zijn, er zijn er die gelieerd zijn aan de antieke alchemistische onsterfelijkheidskunst en er zijn spiritueel-meditatieve stromingen. Niets daarvan heeft met krijgskunst te maken maar ze hebben allemaal één ding met elkaar gemeen: ze baseren zich op een mensbeeld dat niet uitgaat van spieren, botten enzovoorts (al kende men de menselijke anatomie al pakweg tweeduizend jaar voor die hier in het westen werd ‘ontdekt’ tot in detail); in plaats daarvan ging men uit van qi, ‘energie’, die in banen door het lichaam zou stromen, de zogeheten meridianen.

Hoe kon men vinden dat dit een meerwaarde zou hebben voor krijgskunsten?

Voor het antwoord op die vraag kunnen we prima kijken naar de Olympische Spelen die onlangs in Brazilië zijn gehouden, en waar we topatleten in verschillende disciplines aan het werk hebben kunnen zien. Die atleten hebben, naast hun onmenselijk zware training, met elkaar gemeen dat ze allemáál ontzettend goed zijn en dus met de vraag zitten hoe ze toch weer net iets beter kunnen worden. Ze laten zich daarom onderplakken met patches en worden vervolgens gefilmd, en dankzij die patches kan een computer hun bewegingen registreren en uitrekenen hoe ze net weer iets efficiënter kunnen hoogspringen, hardlopen, zwemmen of verspringen.

computer

Die middelen had men in vroegere tijden niet, maar men had wèl die gezondheidsoefeningen die de beoefenaar oefenden in qi, ‘energie’.

Een noodzaak bij de vrije doorstroming van qi door het lichaam is fysieke ontspanning. Daarmee bedoel ik niet dat je net zo slap moet zijn als natte spaghetti maar dat je jezelf bewust maakt van onnodige voelbaarheden in je lichaam, ‘spanning’ zo je wilt. Hoe langer je oefent hoe sensitiever je wordt, zowel in als op je lichaam; en daarmee hebben we al twee aspecten te pakken die de toevoeging van deze oefeningen aan een krijgskunst zinvol maakten: je leert je eigen lichaam in een optimale positie plaatsen vanuit je gevoel (waardoor je bijvoorbeeld harder kunt slaan, ik noem maar wat), èn je leert om ‘op je lichaam’ het contact met de tegenstander te beïnvloeden.

Al met al verklaart dit de waarde van de toevoeging van gezondheidsoefeningen aan de krijgskunst Tai Chi.

Waar deze diverse gezondheidsoefeningen evolueerden en samenkwamen in wat we tegenwoordig Qigong noemen, groeide ook Tai Chi door de tijd heen. Toen er vuurwapens kwamen was een krijgskunst niet meer zinvol op het slagveld, en Tai Chi werd -we zitten nu in de negentiende eeuw- een individuele zelfverdedigingskunst. En in de vorige -twintigste- eeuw is dan weer de invloed van die gezondheidskunsten op de verdedigingskunst naar de voorgrond getreden, en heette Tai Chi ineens een gezondheidskunst te zijn, een soort van bewegende yoga.

Niet is dus minder waar: Qigong is een meditatieve gezondheidskunst en als zodanig geïncorporeerd in de verdedigingskunst Tai Chi. Hoewel de bewegingen op elkaar lijken door de invloed over en weer en hoewel ook Tai Chi ‘solo’ geoefend wordt in vormen, choreografieën, zijn er dus wel degelijk verschillen.

Een voorbeeld van een Tai Chi-choreografie, gevolgd door tien Qigong-oefeningen

Naar mijn idee moeten die verschillen ook blijven, en duidelijk naast elkaar geoefend worden. Nee, je hoeft niet geïnteresseerd te zijn in ‘vechten’ als je Tai Chi oefent; maar het (eventueel in spelvorm) oefenen in de Tai Chi-manier van zelfverdediging dóet iets met een mens, het verandert je. Door de invloed van de gezondheidskunsten en het daoïstische ‘go with the flow‘-denken dat daarmee gepaard gaat word je niet alleen gezonder (want fysieke oefening maakt nu eenmaal gezond), ook mentaal gebeurt er iets; je leert anders omgaan met weerstand, met confrontaties, je laat die makkelijker van je afglijden of weet ze zelfs om te buigen in een situatie die beter, gezonder, voor je is.

Samengevat kunnen we dus stellen dat Qigong een gezondheidsoefening is, redelijk meditatief en rustgevend maar ook bedoeld om aan te sterken, om te herstellen, om sensitiever te worden en om meer weerstand op te bouwen tegen ziekte. Tai Chi daarentegen is van oorsprong een krijgskunst, een zelfverdedigingskunst, een fysieke manier om anders -zachter- om te gaan met confrontaties. Al of niet overdrachtelijk.

 

Filmpje: Chen-stijl Yi Lu

Na bijna anderhalf jaar geblesseerd geweest te zijn aan mijn rug mis ik nog wat power, maar in ieder geval kan ik weer oefenen. Met dank aan Armand van Middendorp voor de opname en aan Peter en Suze voor gebruik van de oefenruimte van ’t Syndicaat.

ik

Getagged , , ,

There’s one to rule them all

Wij worden beheersd en gecontroleerd door vier ‘spoken’. De eerste heet Denken, de tweede Emoties, de derde heet Voelen en de vierde is Lichaam.

Het eerste spook

Denken maakt dat we overrationaliseren. We zijn vergeten dat het slechts een gereedschap dient te zijn, en in de huidige maatschappij wordt teveel getheoretiseerd en te weinig empirisch gehandeld. Zelfs onze wetenschap, die moderne religie, gaat uit van het bewijzen van een theorie in plaats van kijken naar wat er gebeurt. Stel dat de Aarde een tik krijgt en daardoor een uur sneller gaat draaien per dag, dan is de wetenschap in staat om te zeggen dat de Aarde verkeerd draait want op het machientje dat ‘horloge’ heet valt de meting ineens anders uit: een theorie -tijdsmeting- is tot een waarheid gemaakt die boven de feitelijke waarheid uitstijgt.

Vroeger, toen ik een ventje van een jaar of vijftien, zestien was nam meneer Tan, mijn Tit Khun-leraar, me een keer apart. Ik was gefrustreerd aan het raken door de -in mijn ogen- geringe vooruitgang die ik boekte in mijn oefening en dat was hem blijkbaar opgevallen. “Je denkt teveel” adviseerde hij, maar merkte tegelijkertijd dat ik daar niet zoveel mee kon. Dus begon hij opnieuw, ditmaal vanuit een andere invalshoek. 

Nu was in die tijd Discovery Channel net nieuw op de tv (zo lang is dit alweer geleden) en nog voornamelijk gevuld met natuurfilms, iets wat ook tijdens de training regelmatig ter sprake kwam. Wij, leerlingen, waren erg onder de indruk van de macht, pracht en kracht van de dieren die getoond werden, en hadden het er vaak over. 

“Weet jij”, vroeg meneer Tan, “hoe een tijger zijn prooi vangt?” Dat wist ik wel, en ik vertelde hoe een tijger zijn klauwen om zijn prooi sloeg en vervolgens de coup de grace uitdeelde met zijn tanden. Want dat had ik op tv gezien. “Hoe kan hij dat dan?” Vroeg meneer Tan, semi-onnozel. Ik antwoordde dat de klauwen van een tijger net waren als die van een kat, met nagels die er uit konden schieten als hij ze nodig had.

“Oh” zei meneer Tan, en hij frunnikte nadenkend aan zijn kin. “En als die tijger gewoon over de rotsen loopt, wat doet hij dán met die nagels?”

“Dan trekt hij ze in”.

“Precies!” Meneer Tan priemde triomfantelijk met zijn wijsvinger naar mijn neus. “Jij bent net als een tijger die rondloopt met voortdurend zijn nagels uit. Als een tijger dat te vaak doet slijten die nagels en kan hij zijn eten niet meer vangen”. Hij legde uit: “Denken is net zoiets: je moet het gebruiken als je het nodig hebt. Wanneer je het níet nodig hebt, laat het dan voor wat het is, maak het niet te belangrijk. Het is maar een gereedschap”.

Het zou zeker twintig jaar duren voor ik doorhad wat hij bedoelde maar het was, en is nog steeds, een wijze les: je bent je denken niet, het is maar een gereedschap. Laat het de boel niet overstemmen

Het tweede spook

Ergens ver in het verleden, misschien al sinds de tijd van Abélard en Héloïse, zijn wij begonnen met het idealiseren van emoties. Het is zelfs tot hoogste cultuur verheven om Emotie het meest en het vaakst de baas te laten zijn over de drie andere spoken. Als je tv kijkt gaat het alleen maar over emotiegerelateerde zaken: je hoort er niet bij (emotie) als je niet dit of dat flauwekulprodukt koopt, oh kijk toch eens hoe die beroemdheid verliefd is (emotie) op die andere, stem op mij want als je op die ander stemt dan ben je geen oké persoon (emotie), kijk eens hoe zielig (emotie) de mensjes zijn in deze documentaire … Ik heb dus geen tv meer want het gaat werkelijk nergens over, er wordt alleen maar ingespeeld op Emotie. 

Als je ergens rationeel op reageert dan klopt er blijkbaar iets niet aan je: blijkbaar is zelfs het Denken-spook ondergeschikt gemaakt aan Emotie. Je moet en zult emotioneel zijn. En als je hoort zeggen “denk toch eens na, je weet toch dat je het anders moet doen?” Dan wordt er niet bedoeld dat je daadwerkelijk na moet gaan denken: nee, het is een inspelen op de emotie van een schouderklopje willen krijgen van de spreker. Meer niet. Onze wereld is stuk omdat wij emotie de baas hebben laten worden met lieden rondom ons die daar -of het de wereld nou schaadt of niet- handig gebruik van maken. Door te zèggen dat we na moeten denken (maar zonder dat te hard te menen).

Het derde spook

Als Emotie de keizer is met al zijn pracht en praal en zijn ‘als je niet doet of je me leuk vindt hak ik je hoofd af’ dan is Denken zijn eerste minister, en Voelen ‘het volk’: ondergewaardeerd door de elite, ge- danwel misbruikt wanneer en hoe het uitkomt. Dit voelen is geen ‘emotioneel voelen’, het is het soort voelen dat je pas gewaar kunt worden na jaren intensieve training: de interne training van Kungfu.

Voelen wordt ons niet aangeleerd vanuit onze cultuur, en al evenmin vanuit onze scholing. Mócht je zo gelukkig zijn dat je spontaan op deze vaardigheid stuit bij jezelf krijg je al snel de hele wereld over je heen: ‘je denkt niet na’ of ‘je bent niet gezellig’.

Interne training daarentegen gaat júist over dit voelen, dit waarnemen, dit alomtegenwoordig in je lichaam aanwezig zijn. Het gaat júist over niet nadenken en niet bezig hoeven zijn met wat anderen van je denken of willen.

Veel moderne mindfulness-achtige cursussen (raar woord trouwens… had dat niet mind-emptiness moeten zijn?) die zich baseren op oude tradities halen als doel ‘gelukkig zijn’ uit die oude tradities. Laat je niet gek maken: zolang Emotie de baas is zul je nóóit gelukkig zijn want er is altijd wel iemand die meer heeft, mooier heeft, jou niet aardig genoeg vindt enzovoorts. De tradities waar uit geput wordt waren helemaal niet bezig met verzadigd zijn of met emotionele voldoening, ze waren bezig met voelen. Met bewustzijn, bewust zijn

Het vierde spook 

Het lichaam is in feite het paard van of voor de drie andere spoken. Bij ongetrainde mensen zie je hoe Emotie op het paard zit met Denken er vlak voor lopend, met de hand aan de teugel. De één is de toegang tot de ander: je praat er rationeel tegen en krijgt een emotioneel antwoord; je geeft uitleg aan de leerling hoe hij/zij iets beter kan doen en je krijgt een uitgebreid antwoord waarin de leerling zichzelf verdedigt alsof je een persoonlijke aanval hebt gepleegd.

Bij uitermate goed geoefende mensen zit juist Voelen in het zadel. Deze mensen worden niet verstoord door emotioneel gekrakeel of door te ver of diep over iets nadenken. Als Voelen in het zadel zit hoeft het paard niet te rennen omdat de berijder van het moment -Emotie of Denken- de ander voor wil blijven. Het hoeft niet naar links of naar rechts omdat iemand anders dat wil, het paard mag gewoon paard zijn.

Zo had ik -jaren geleden alweer- een gesprek met een Kungfu-meester. Hij had geen leerlingen, wilde die ook niet, maar wilde mij wel wat helpen met de vragen waar ik mee zat op het gebied van mijn interne training: ik wilde graag beter worden (‘willen’ is Emotie) in mijn interne oefening, en had al van alles gelezen aan oude teksten (‘studie’ is Denken). Eén van de zaken die ik tegenkwam was de kwestie van het celibaat: voor het behoud van je energie zou je je moeten onthouden van seks. Hij keek mij geschokt aan: hoe ik aan die onzin kwam? Dat was iets van religie, niet van interne training! Gewoon normaal doen was goed genoeg vond hij (en aan zijn interne kwaliteit viel in ieder geval niet te twijfelen). Het paard moet grazen maar nooit meer eten dan hij op kan, en niet grazen omdat Denken vindt dat het nu etenstijd is en dat een portie zus en zo groot moet zijn, of grazen omdat dat voor Emotie zo goed oogt voor de vrienden waar hij bij wil horen. Een paard eet omdat het honger heeft, rent omdat het ergens naartoe of juist vandaan moet en rust als er niks is om te moeten. Hetzelfde gold volgens hem voor seks.

In feite leerde hij mij de kern van het Daoisme: eten als je honger hebt, slapen als je moe bent. Voelen wie je bent.

De Ghostbuster

“Maar hoe doe je dat dan?” is een veelgehoorde vraag. Eigenlijk is het antwoord hierop heel simpel, en bestaat het uit twee stappen. Eén: je moet het daadwerkelijk willen. ‘Willen’ is een makkelijk gebruikt woord en zwaar in waarde gedevalueerd; hoe vaak hoor ik niet van iemand dat hij/zij echt Tai Chi wil leren, om dan, als ik een keer daarna vraag of er thuis een uurtje per dag is geoefend, aangekeken te worden alsof ik gek ben… Het woord ‘willen’ wordt erg goedkoop gebruikt. 

Mijn moeder zei altijd ‘niet kunnen is niet willen’ en oh jee wat had ik daar een berg bezwaren tegen, hoe durfde ze dat zeggen! Maar inmiddels weet ik dat ze gelijk heeft: wat onmogelijk is dat kan gewoon niet maar daarbuiten zijn zelfs onbereikbare dingen bereikbaar, zolang je maar bereid bent om de prijs ervoor te betalen. Prins Gautama wilde verlichting en verliet daar zijn gezin en harem en zijn prins-zijn voor om later de Boeddha te worden. Wil je iets zó graag? Of toch een beetje minder? Hoeveel minder dan?

Dit is het ‘willen’ waar ik het over heb. Als je door nauwgezet je interne training te doen je qi goed hebt opgebouwd en je jezelf bekwaamd hebt in wat ‘voelen’ is, dan wordt je wil sterk. En het is die wil die maakt dat Emotie -de keizer- van het paard wordt gesodemieterd en dat de macht daar komt waar die thuishoort. Bij Voelen.

Tai Chi en de seizoenen

In de afgelopen week kwam ik een artikeltje tegen dat getiteld was “Koud begin van de lente“. Het begint met de zin “De lente begint koud”, onderwijst ons vervolgens wanneer de lente begint en vertelt daarna dat het weer nat en koud is. Hoewel het niet met woorden gezegd wordt is er dus blijkbaar een idee verbonden aan het concept ‘lente’ waarin lente een periode is waarin het warmer en droger had moeten te zijn.

Ik vind dit een erg merkwaardig artikeltje.

De natuur op onze aarde bestaat in golven, variërend van kouder naar warmer en weer omgekeerd. Die golfbeweging is afhankelijk van een groot aantal factoren zoals, bij wijze van voorbeeld, de stand van de aarde ten opzichte van de zon. Hoe gróót die temperatuurvariaties zijn en of het natter of droger is, is bovendien ook nog eens afhankelijk van een complex aan diverse mileutechnische en klimatologische omstandigheden, deels eigen aan de aarde (zoals bijvoorbeeld de invloed van El Niño, van de vervuilende vulkaanuitbarstingen en eens in de zoveel duizend jaar van de wisseling van de magnetische polen) en tegenwoordig deels veroorzaakt door de mens.

Maar dat golfbewegingsproces is geen constante, en is dat ook nooit geweest; in de loop van tienduizenden jaren zijn er diverse ijstijden geweest, de aarde is tropisch geweest, enzovoorts. Er zit geen regelmaat  in.

Echter, op een gegeven moment kwam het meest gevaarlijke roofdier ooit op aarde: de venator intelligens, ‘de intelligente jager’. Wij. We leerden dat het onderscheid tussen dag en nacht belangrijk is want sommige dieren vang je beter ’s nachts, andere makkelijker overdag. Later gingen we het land bebouwen en daar leerden we van dat er periodes zijn om te zaaien en periodes om te oogsten. En zo groeiden we, in de loop van vele tienduizenden jaren, naar een tijdsindeling toe. 

Waar dit aanvankelijk alleen maar positief uitpakte omdat we luisterden naar -gevoelig waren voor- de golfbeweging van de natuur begon de ellende toen we dit soort observaties gingen overdragen via schrift. Vanaf dat punt worden het wetmatigheden, neergeschreven ‘als het zus voelt is het tijd voor zo’-observaties werden opgelegde ‘op deze dag van die maand moet je dit doen’-regels. We gingen onszelf steeds meer overgeven aan de beschreven wetmatigheid en steeds minder voelen en waarnemen wat er daadwerkelijk gebeurde. 

De stap die hierop volgde is de stap waar wij middenin zitten: we legden de beschreven wetmatigheid vast in benoemde eenheden – de seizoenen, weken, dagen, uren, minuten. En we zijn totaal ongevoelig geworden voor wat die wetmatigheid in feite was, en is: een poging tot vastleggen van een onregelmatige golfbeweging in de natuur.

Terugkerend naar waar dit verhaal mee begon ga ik nu keihard zeggen: de lente is helemaal niet koud begonnen. Hooguit is onze beschrijving van de golfbeweging van de natuur niet toereikend. We zouden er beter aan doen om het idiote idee van een vast ritme te vergeten, en opnieuw te leren observeren. Vergeet woorden zoals winter en zomer; doe gewoon een jas aan als het koud is en doe -em uit wanneer het warm is. Vergeet alles wat wij als kunstmatige wet over de echte natuur hebben gelegd en observeer, voel.

Bij Tai Chi bestaat eenzelfde probleem. Tai Chi is een krijgskunst, en in feite is een krijgskunst niet meer dan de kunst van het winnen in een fysiek conflict. Dat is ‘de natuur’ van Tai Chi. Als krijgskunst zijn er diverse concepten van aanpak te ontleden over hoe je het doel -winnen- kunt bereiken. Soms hard, soms zacht, dat soort zaken. Er is een oud Chinees werkmodel (oefening in qi en de interactie tussen yin en yang) dat zich heel goed laat hanteren om vaardig te worden in die concepten, en eigenlijk is dit alles.

Maar dan moet deze vaardigheid worden overgedragen…  En dat gebeurt via een systeem, een wetmatigheid. Dat systeem werkt in feite achterstevoren: waar je vroeger aan je leerling zou onderwijzen hoe een bepaalde interactie moet voelen om resultaat te bereiken waarna het vanzelf een fysieke vorm krijgt begint het onderwijs tegenwoordig met die fysieke vorm, waar niemand aanvankelijk van weet of begrijpt waar die vormgeving voor is. Vervolgens evolueren er allerlei regeltjes over het precies krijgen van die vormgeving, er komen ook nog eens regeltjes voor die regeltjes, en uiteindelijk weet niemand meer waar het in de kern over gaat. 

Dat is het punt waarop er gezegd gaat worden “Tai Chi is een gezondheidskunst”: dat is gewoon een andere manier om te zeggen “de lente begint koud”.

De Acht Cirkel-stijl in beeld en geluid

De conceptuele Acht Cirkel-stijl van de School van de Kraanvogel kent de Acht Armcirkels, de Acht Beencirkels en de Acht Slagen. Elke serie van acht -armen, benen en slagen- heeft een apart te bestuderen ‘inside’- en ‘outside’-versie.

De Acht Cirkels worden als volgt gedifferentieerd: 1. onderliggend 2. overliggend 3. achterliggend 4. overkruisend 5. omvattend 6. herstellend 7. hevelend 8. dragend.

Op onze Facebook-pagina zijn filmpjes geplaatst van de arm- en been-series.

Getagged , , , , , ,

Filmpjes uit de oude doos

Op de Facebook-pagina van de School van de Kraanvogel heb ik wat oude filmpjes van mezelf geplaatst uit de tijd dat ik zelf nog leerling was.

Getagged , , , , , , ,